> home > biografie
> beschouwingen > saneering > links

Oorlogstijd

Bertus van Lier en WO2: ervoor, tijdens en er na.

Nu ruim zes jaar geleden was de honderdste geboortedag van mijn vader, Bertus van Lier (1906-1972), in aantocht. Ik had plannen voor een gedenkconcert (waar ten slotte niets van is gekomen), maar een van de dingen die ik wel deed was het maken van een korte levensbeschrijving, zeer geholpen door mijn zuster Sofie, met daarin voldoende materiaal om het gemakkelijker te maken voor iemand anders, die een stukje over mijn vader moest of wilde schrijven.
Omstreeks een jaar later las ik die muzikale levensschets nog eens door en het viel mij op hoe weinig er eigenlijk te zeggen viel over mijn vaders bestaan tijdens de oorlog.
Maar er was nog iets anders aan de hand.
Ik las vóór de oorlog over het leven van een bevlogen, zeer getalenteerde componist, die enthousiast zijn vakkennis aan het onderzoeken was en die de ene na de andere compositie presenteerde. Alles leek hem te lukken. Maar hij was ook zeer geïnteresseerd in de uitvoerende kant van de muziek. Niet als cellist – cello was zijn hoofdvak geweest aan het Amsterdamsch Conservatorium – maar als dirigent en hij was actief bezig een dirigentencarrière op te bouwen.
In de eerste jaren na de oorlog voltooide hij nog enkele grote composities die bruisten van levens- en scheppingslust, maar allengs werden zijn composities minder in aantal, steeds abstracter en – hoe kan ik het zeggen – minder levenslustig. Hij dirigeerde – met groot succes – het Koor en Orkest van de Rotterdamse Volksuniversiteit, o.a. jaarlijks uitvoeringen van de Matthäus Passion in Rotterdam en Amsterdam, maar nog zelden een beroepsorkest. Het merendeel van zijn inkomsten verdiende hij als muziekredacteur van het dagblad Het Parool en ik had hem – in 1955 – licht denigrerend over zichzelf horen spreken als de vacantiecomponist.
Wat was er tussen voor-de-oorlog en na-de-oorlog gebeurd?

Waarom nu pas?
Ik ben zelf geboren eind 1938 en ik heb een deel van de gebeurtenissen meegemaakt, maar de werkelijkheid is wat gecompliceerder. Volgens mijn herinneringen zou mijn vader in 1942 vanuit Utrecht ondergedoken zijn in Amsterdam. Mijn ouders arrangeerden af en toe een ontmoeting en mijn moeder nam dan afwisselend mijn oudere zusje of mij mee; ik herinner mij een herfstige wandeling over de hei in de buurt van Doorn. Maar in 1943 was dat afgelopen. Na de oorlog bleek de relatie tussen mijn ouders verslechterd en in 1947 waren ze uit elkaar. Er volgde een tijd dat ik mijn vader niet meer sprak, mijn moeder verhinderde dat. Maar in 1952 ontdekte ik dat het slechts anderhalf uur fietsen was van Utrecht naar Amsterdam, waar mijn vader woonde met zijn nieuwe gezin. Ik regelde met mijn ouders dat ik met enige regelmaat ging logeren en zo kwam het contact tussen mijn vader en mij weer aarzelend op gang. Maar geruime tijd nog daarna vielen er gaten in de spontaniteit van de relatie tussen mijn vader en mij, zoals dat, weet ik nu, vaker schijnt te gebeuren tussen gescheiden ouders en kinderen.
Eén van de voordelen van ouder worden – het zijn er niet veel – is dat je, nu ja, dat ik met meer vrijheid kan kijken naar de relatie tussen mijn vader en mij en ook naar mijn vader als persoon. En ik vroeg me af: wat was er toch gebeurd met de energieke levenslustige man die ik kende uit mijn vroege jeugd.

Ik vond een reeks gebeurtenissen, die volgens mij samenhangend zijn, gebeurtenissen die zonder enige twijfel zijn Werdegang ernstig – ongunstig –  moeten hebben beïnvloed. Het gaat, bovendien, om een kwestie die destijds en nu nog vertekenend is belicht. Het resultaat werd een trompe l’oeil, dat nog steeds opgeld lijkt te doen. Intussen kan ik niet met enige zekerheid zeggen dat dít nu de kwestie is, die zijn levenslust en zijn creativiteit zo nadelig beïnvloed zou hebben. Het is een mogelijkheid, dat is al.
Ik heb gelezen en herlezen wat ik erover heb kunnen vinden, gezocht, veel gevonden en gereconstrueerd. Er is, helaas, nogal wat dat ik weliswaar gereconstrueerd heb, maar waarvoor nog niet alle bewijs door mij gevonden is. Het verhaal heeft voor mij meer haast dan het aanvullend bewijs – als dat inderdaad te vinden is; jammer, dat moet dan maar even wachten.
Het draait alles om een reeks gebeurtenissen die lijkt te culmineren in de zuiveringszaak na de oorlog tegen de directeur van de NV Het Concertgebouw, Dr. Rudolf Mengelberg, de wijze waarop Bertus van Lier daarbij betrokken was en de gevolgen van het een en ander.

De belangrijkste boeken die ik gevonden heb en waarvan ik gebruikgemaakt heb zijn zonder twijfel de studies van
Pauline Micheels: Muziek in de schaduw van het Derde Rijk. De Nederlandse symfonie-orkesten 1933-1945 (Zutphen, Walburg Pers, 1993); en van
Jan Kassies en Fenna van den Burg: Kunstenaars van Nederland! Om eenheid en zeggenschap. Het ontstaan van de Federatie van Kunstenaarsverenigingen en de Raad voor de Kunst. (Amsterdam, Boekmanstichting/Van Gennep, 1987).

Bertus van Lier: vooroorlogse ambities en carrière
Elders op deze website vindt de lezer de biografie, die ik al eerder noemde. Van Liers carrière als componist, als – niet universitair opgeleid – musicoloog, als vertaler en als essayist is een tamelijk duidelijk verhaal. Slechts op het gebied van zijn ambities als dirigent lijkt er iets merkwaardigs te gebeuren. Die carrièregang stopt kort na de capitulatie van mei 1940 – hij trok zich terug uit het muziekleven – maar komt na de bevrijding niet meer op gang, zoals dat in de verwachting zou kunnen liggen.
In 1933, Van Lier is dan 26 jaar, volgde hij directielessen bij Hermann Scherchen en, aansluitend daarop ontwikkelde hij allerlei activiteiten op dat terrein, aanvankelijk nog met goede amateurs en conservatoriumstudenten, maar waar mogelijk en in toenemende mate met vakmensen. In 1936 was zijn reputatie al voldoende interessant voor de Duits-Nederlandse werkgroep, die de Niederländische Musiktage in Wiesbaden organiseert, om hem uit te nodigen met eigen werk (maar hij weigerde).
In de eerste maanden van 1940 organiseerde de Rijksduitse maar reeds geruime tijd in Nederland werkzame impresario Ernst Krauss een tiental concerten voor Van Lier met de destijds befaamde Hongaarse pianiste Lili Kraus en een professioneel ad-hoc orkest, het Mozart Orkest; een ongewoon Mozartprogramma: de pianoconcerten Es KV271, in c KV491 en in Bes KV456, afgewisseld met Duitse dansen. Het eerste concert vond plaats op 12 februari 1940 in de grote zaal van het Concertgebouw (zie affiche) voor de Amsterdamsche Kunstkring “Voor Allen”, het laatste op 13 maart daar op volgend in Rotterdam. De concerten werden met grote waardering ontvangen (zoals onder meer blijkt uit de rubriek Kroniek van de Nederlandse Muziek in De Gids no. 4 [april] jaargang 104 (1940) , bijgehouden door de musicoloog Eduard Reeser).

Mijn conclusie is dat Van Lier met deze concerten zijn kandidatuur stelde of onderstreepte voor een vorm van aanstelling als dirigent van het Concertgebouworkest. Bij het Concertgebouworkest, namelijk, was minstens één vacature. Willem Mengelberg, de eerste dirigent, stond nog zelden – of nooit – voor het orkest , zodat Eduard van Beinum op dat moment formeel de tweede eerste was maar praktisch de eerste dirigent (en dat zou hij ook formeel worden en blijven). Er was dus een vacature, voor een tweede dirigent, of zelfs waren er twee vacatures, voor een tweede eerste én voor een tweede dirigent.
De NV Het Concertgebouw ontving in die tijd niet alleen subsidie van het Rijk maar ook een subsidie van de Gemeente Amsterdam en het lijkt me niet ondenkbaar, al heb ik daarover (nog) geen zekerheid kunnen vinden, dat ook wethouder Boekman een mening zou hebben laten blijken – zij het discreet.
De Tweede Wereldoorlog was op dat moment al wel begonnen, maar nog niet in Nederland en ieder hoopte dat Nederland neutraal zou kunnen blijven, zo ook Bertus van Lier. Maar na de capitulatie veranderde alles, tenminste voor wethouder Boekman die zelfmoord pleegde en tijdens en na de bezetting ook voor Van Lier. Na de bevrijding in 1945 werden zijn dirigeerambities binnen enkele maanden moeilijk of zelfs onmogelijk te realiseren.

Collaboratie, verzet , afwachten
Snel na de capitulatie in 1940 leek de Nederlandse bevolking zich te splitsen naar drie grondhoudingen: de mensen die in wezen de nieuwe realiteit aanvaardden (met tegenzin dan wel enthousiast), de mensen die ieder voor zich besloten ‘dit pik ik niet’ en natuurlijk de zwijgende meerderheid, in alle schakeringen, daar tussen in.
Rudolf Mengelberg schaarde zich haast vanzelfsprekend onder de realo’s; zijn verantwoordelijkheid voor de NV Het Concertgebouw (waarin begrepen het Concertgebouworkest) dwong hem daartoe.
Van Lier had ruim voor de oorlog al gekozen, hij pikte het niet. Bovendien, hij had geen verantwoordelijkheid (gekregen) voor het Concertgebouworkest (en wethouder Boekman was dood!), maar belangrijker nog: een bloeiend muziekleven tijdens die oorlog kon hij zich niet voorstellen. Als gevolg daarvan had hij zijn dirigentenambities – hopelijk tijdelijk - aan de wilgen gehangen.
Een bloeiend muziekleven echter was nu precies waar het bestuur van de NV Het Concertgebouw én vanzelfsprekend ook Rudolf Mengelberg naar streefden. Ik moet, zonder nadere bewijzen, aannemen dat het geheel toevallig was, dat ook de bezetters en hun nieuw benoemde medewerkers dit doel nastreefden. Een coïncidentie die nog lastige problemen zou veroorzaken.

Kunstenaarsverzet, De Vrije Kunstenaar
Al snel na de capitulatie begon verzet zich te manifesteren en kort daarop te organiseren. Na enige tijd blijken zich twee groepen uit de kunst geformeerd te hebben en beide proberen zij zich voor te stellen hoe dat nu moet na de oorlog. Later zullen beide groepen zich samenvoegen tot de groep die plannen smeedt tot de oprichting voor de oprichting, na de bevrijding, van een Federatie van Kunstenaarsverenigingen en een Raad voor de Kunst.

In het illegale blad De Vrije Kunstenaar wordt de toestand nauwlettend in de gaten gehouden. Vanzelfsprekend werden artikelen niet of met een pseudoniem ondertekend. Pas na de bevrijding bleek dat de toestand van de muziek – en daarmee werd de klassieke of ernstige muziek bedoeld – het domein was van Paul F. Sanders en Bertus van Lier.

In nr. 37, september 1944, van dat blad verscheen een beschouwing getiteld Het Concertgebouw en de Nederlandsche Muziek, die, zoals later pas bleek, van de hand was van Van Lier.
Eerst geeft hij een analyse van de mogelijke opstellingen ten opzichte van de bezetters en hun medestanders: a/ zij die de gegeven situatie volledig accepteerden, b/ zij die niets tekenden maar gewoon bleven optreden, c/ zij die wel tekenden maar niet optraden en d/ zij die niets tekenden en niet optraden. Meewerken aan de instandhouding van het openbare muziekleven was aldus, hoe je het ook draait of keert, een vorm van steunverlening aan de vijand. Het was immers juist de wensch van den vijand, dat het culturele leven in ons land “normaal” voortgang zou vinden, zij het dan ook onder al dan niet gecamoufleerde nazi-vlag.
Over Dr. Rudolf Mengelberg is de schrijver niet mis te verstaan: deze lamlendige geest van openlijke of verkapte collaboratie nu vond a.h.w. hun “ideale” verwezenlijking in de houding van de artistieke leiding van het Concertgebouw-orkest en met name van den directeur, Dr. Rudolf Mengelberg. De anti-Nederlandsche mentaliteit van dezen geboren Duitscher manifesteerde zich in de jaren vóór den oorlog voornamelijk in een even hardnekkige als domme bestrijding van de Nederlandsche muziek. …. Sedert de bezetting uit de gezindheid van R. Mengelberg zich op andere wijze. En dan volgt een opsomming van geconstateerde incidenten van collaboratie of te ver gaande compromisbereidheid.
Van Lier citeert uit de toespraak voor Radio Oranje uit Londen op 12 augustus 1944 van de minister van justitie van dat moment, Van Heuven Goedhart: “ Niet alleen de evident schuldigen, doch ook de “halve en driekwart meeloopers” zullen loon naar werken ontvangen” en op dat moment was dàt dus, zo meende Van Lier, het formele regeringsstandpunt. En Van Lier voegt daar aan toe: Een krachtig optreden van de Regeering op dit gebied zal niet slechts aan de muziek zelve ten goede komen, doch tevens een verheffende invloed hebben op de publieke moraliteit.

Kort na de bevrijding zal Van Lier verweten worden dat hij door het noemen van de naam van Rudolf Mengelberg diens leven in gevaar gebracht zou hebben. Met andere woorden: de bezetter zou Mengelberg natuurlijk niet de openlijke maar wel de verkapte collaboratie verwijten, hem arresteren, martelen, naar een concentratiekamp afvoeren! Het lijkt mij zeer ver gezocht.
Nog enkele namen noemt Van Lier, die van Marius Flothuis, voormalig medewerker van R. Mengelberg, maar door deze op last van DVK (het Departement voor Kunst) ontslagen (op dat moment verblijvend in een Duits concentratiekamp), de naam van den nazi-gezinden E. Cornelis die door Mengelberg zou worden benoemd als onderdirecteur van het Concertgebouw en de naam van Eduard van Beinum, van wie ernstig [zal] moeten worden onderzocht of hij volledig belast kan blijven met de taak die hij tot dusverre vervulde.
Wie uit het de bedoelde tekst meent te kunnen afleiden dat de genoemd collega-musici naar aanleiding van dit artikel gevaar zouden lopen van de kant van de bezetter, die moet daarvoor een bijzondere reden hebben. Eventueel zouden immers de niet-genoemden zich eerder zorgen kunnen maken. Maar kort na de oorlog zal niettemin door de schrijvers van de Brochure worden gesteld dat de genoemden aldus in gevaar gebracht waren, waarover later meer.

Behoefte aan ‘zuivering’ in Londen en in Nederland
De regering in Londen wilde weten welke ambtenaren te innig met de bezetter hadden samengewerkt en vanuit Londen werd ook met instemming gereageerd op plannen uit de wereld van Kunst en Cultuur in bezet Nederland – de zogeheten Haagse en Amsterdamse comités die inmiddels met elkaar in gesprek waren geraakt – ook daar te onderzoeken wie ‘fout’ geweest was, wie té ver gegaan was bij het sluiten van compromissen. Uit de praktijk is wel gebleken dat men het daarbij vooral gemunt had op personen aan wie een soort verplichte verantwoordelijkheid mocht worden toegerekend. Bekendheid bij het publiek speelde duidelijk een rol. Hoe bekender de persoon, hoe strenger zijn (of haar) handelen bezien werd.
Tijdens de laatste oorlogsjaren werd er – via de Zwitserse dan wel de Zweedse weg – druk gecorrespondeerd tussen plannenmakers in Nederland en besluitvormers in Londen.

Zo ging er, via de Zwitserse weg, een rapport onderweg naar Londen met de titel Saneering van het muziekleven,ondertekend door Bertus van Lier (en medeondertekend door mr J. Thomassen). In dit rapport aan de Minister van Justitie – op dat moment nog mr. G.J. van Heuven Goedhart, de latere hoofdredacteur van Het Parool en als zodanig Van Liers naoorlogse werkgever – geeft Van Lier zijn analyse van de situatie in ‘de muziek’. Het lijkt een uitgewerkte versie van zijn artikel in De Vrije Kunstenaar maar nu noemt hij een reeks namen van personen wier handelen en/of optreden nader moet worden onderzocht en aanleiding zou kunnen zijn voor zuivering o.a. die van alle dirigenten van de symfonieorkesten – met de nadrukkelijke uitzondering van dirigent Henri Hermans van het Maastrichts Stedelijk Orkest. Aanleiding zou kunnen zijn! Want de berechting van te zuiveren personen is volgens Van Lier een zaak van de regering: díe zal moeten oordelen en waar nodig een strafmaat bepalen. Oók de naam Rudolf Mengelberg wordt genoemd, met redenen omkleed. De taal, nu gelezen, is wat plechtig; de ondertekenaars veroorloven zich de aandacht van de Excellentie te vragen. Zij menen dat een krachtig optreden der Regeering ter saneering van het muziekleven nuttig en nodig zal zijn.

Van Liers Beschouwing (Vrije Kunstenaar) en Rapport aan de minister: tijdens de oorlog, er na en nu
Kunstenaars en niet-kunstenaars die in verzet kwamen tegen de bezetter en de nazi’s in het bijzonder waren fel in hun verzet. Sommigen pleegden overvallen, schoten foute politiemannen, landwachters en jodenverraders neer en werden soms zelf neergeschoten. Anderen – of dezelfden – maakten plannen in felle bewoordingen over een betere wereld na de oorlog. Lees de illegale pers uit de oorlogsjaren. Of lees de kranten van nu over de opstanden elders in de wereld, Egypte, Libië, Iran, Jemen om maar een paar actuele voorbeelden te noemen.
Na de bevrijding, althans na de oorlog, veranderde het perspectief op slag. Oude belangen en machten, tijdens de oorlog zorgvuldig gekoesterd en beschermd, traden weer in het veld, in hun meest brandschone gedaante en zo nodig verdedigden zij zich met alle dienstige middelen. Directeuren traden terug, commissarissen traden af, tijdens de oorlog afgetreden – of tot aftreden gedwongen – bestuurders traden weer in functie.
Er moest weer met elkaar gesproken worden, meningen werden nog steeds geuit maar de toon werd eerder verzoenend als dat maar enigszins mogelijk was.

Er is geen ontkomen aan: wie Van Liers beide stukken uit augustus 1944 nu – in 2011 – leest, kan haast niet anders dan vaststellen dat het allemaal niet zo handig was. Nee, dat was het niet. Beide stukken zijn ontstaan na kennis genomen te hebben van de toespraak van Van Heuven Goedhart, de toenmalige Minister van Justitie, op 12 augustus 1944 voor Radio Oranje en het lijkt alsof Van Lier zich door deze toespraak vrij voelde om te schrijven als hij deed. Bovendien: vergeleken met de meningen van medestanders uit de Federatiegroep waren zijn denkbeelden eerder consequent dan extreem te noemen.
Hij was een idealist en – in die tijd – niet realistisch genoeg om te bedenken dat hij na de oorlog – hoogst waarschijnlijk, als het goed ging – nog zaken zou moeten doen met de wel degelijk realistische besturen en bestuursleden uit kunstlievende kringen en dat hij zou moeten samenwerken met collega’s die zich meer pragmatisch hadden gedragen. Het zal hem ook niet hebben uitgemaakt, althans niet op dat moment, in oorlogstijd.
Van Lier was rond die tijd 35 jaar oud, zijn beste vriend was nog geen jaar daarvoor gefusilleerd en hij hield zich bezig met gevaarlijke activiteiten, net als anderen die zich verzetten. Zulke omstandigheden werken niet mee bij het komen tot een afgewogen oordeel. Maar handig, dat was het juist niet.

Kunstenaarsverzet: na de oorlog was de strijd nog niet gestreden, wel veranderd
Het kunstenaarsverzet tijdens de oorlog was bijzonder gemotiveerd en streng in zijn beoordeling van collaboratie, niet alleen in de muziek. De hoge Kunst eiste van haar beoefenaars immers een zuivere opstelling in ongeveer alles. Zo direct na de oorlog veranderde dat nog niet zeer zichtbaar, maar de Kunst, het hoogste - na, naast of zonder God – werd toch al wat menselijker.
Na de bevrijding manifesteerde het voormalige kunstenaarsverzet zich nog steeds, met het vaste voornemen te komen tot een Federatie van Kunstenaarsverenigingen, deels vakvereniging maar ook met zorg om de belangen van de kunst, en een Raad voor de Kunst voor de belangenbehartiging op beleidsniveau. Die Federatie en die Raad zijn er gekomen zij het niet zonder moeite.
Een kunstenaarsvakbond ging menigeen – vaak van confessionele huize – veel te ver, communisme zou het resultaat zijn! De kunstenaars van het verzet, nog steeds strijdbaar, werden na de bevrijding betrokken bij de Ereraden. Het waren vaak dezelfde personen die bezig waren met de oprichting van de Federatie, ook al probeerde de Federatiegroep zulke vermenging te vermijden. De gevaren van vermenging van beide doestellingen werden groot geacht. En dat zou ook inderdaad gebeuren.

De vertegenwoordiging van de KNTV bij het Federatieberaad
Het overleg over de op te richten Federatie ging niet zonder slag of stoot. Om werkelijk namens de kunstenaars en de kunsten te kunnen spreken was het wenselijk dat, zo niet alle, dan toch zoveel mogelijk de categorale bonden zich zouden aansluiten. Wat de muziek betreft: het was van groot belang de Kon. Nederlandsche Toonkunstenaarsvereniging (KNTV) mee te krijgen. De KNTV, in 1943 door de bezetter verboden, werd in het overleg vertegenwoordigd door de laatste voorzitter, M.A. Brandts Buys. Na zijn overlijden in 1944 bleek dat hij een soort wilsbeschikking had achtergelaten waarin hij tot zijn opvolger in het Federatieoverleg niet de laatste secretaris van de KNTV verkoos, zoals wellicht voor de hand zou hebben gelegen. Deze secretaris was Dr. K.Ph. Bernet Kempers en in zijn laatste wilsbeschikking sprak Brandts Buys een voorkeur uit voor het drietal Bordewijk-Roepman, Sanders en Van Lier.

De KNTV werd door velen bij het Federatieberaad betrokkenen gezien als een vereniging van voornamelijk muziekpedagogen (die binnen de vereniging inderdaad in de meerderheid waren). De drie door Brandts Buys genoemden waren voorstanders van een federatie, dat is wel zeker, maar het is de vraag of zij de juiste vertegenwoordigers voor de muziekpedagogen geweest zouden zijn; het is ook zeer de vraag of zij er op gebrand waren zo’n benoeming te aanvaarden. Van Bernet Kempers kon tenminste gezegd worden dat deze sinds jaar en dag als bestuurssecretaris betrokken was bij de KNTV.
Het is niet duidelijk wat er toen precies gebeurd is. In mijn fantasie kan het als volgt zijn gegaan: Bernet Kempers zal gezegd hebben dat zo’n wilsbeschikking van Brandts Buys er niet was; laat die dan maar eens zien! Het drietal kon dat niet direct tonen, maar hield vol dat het wel degelijk het geval was. Een leugen, zou Bernet Kempers gezegd kunnen hebben. Dat is niet waar, zei Van Lier. Let wel: het ging er dus niet om wie de KNTV bij het Federatieoverleg zou vertegenwoordigen, het ging er – nog – om of Brandts Buys zich al dan niet had geuit over die opvolging. In een later stadium bevestigde een schoonzuster van Brandts Buys dat deze wel degelijk zo’n verklaring had afgelegd. Maar ruim vóór dat moment zal de relatie tussen Bernet Kempers en Van Lier al wel grondig verpest zijn geweest.
De kwestie werd ten slotte , zoals dat behoort, geregeld binnen het bestuur van de KNTV en Bernet Kempers werd gekozen tot de nieuwe voorzitter en – aldus ook – tot de vertegenwoordiger van de KNTV bij het Federatieoverleg.
Al snel bleek dat Bernet Kempers de Federatie op allerlei manieren niet welgezind was en hij toonde zich bepaald creatief in het vinden van verschillende manieren om dwars te liggen en moeilijkheden te veroorzaken.

Een ander aspect had zich inmiddels ook aangediend: na de zuivering van Rudolf Mengelberg door de Ereraad voor de Muziek zocht een viertal verdedigers van Rudolf Mengelberg de publiciteit door middel van de al genoemde Brochure. Bernet Kempers bleek zich prominent met het ontstaan van die Brochure te hebben bemoeid en aldus was de discussie tussen voor- en tegenstanders binnen het Federatieoverleg nog verder verziekt. Deze brochure komt hierna uitgebreid aan de orde; verdere details zijn ook te vinden bij Kassies en Van den Burg (pp. 98-127).

De onmondigheid van de musici van het Concertgebouworkest
Het Concertgebouw is ontstaan op initiatief van privépersonen. Tot de stichting werd besloten in 1882 en in 1888 stond het gebouw er en werd het ingewijd met een tamelijk massaal concert. Het was een enorme financiële investering en het is geen wonder dat de allereerste zorg van de beheerders, het bestuur van de NV Het Concertgebouw, dit onroerend goed moet zijn geweest. Maar een Concertgebouw heeft onvermijdelijk ook musici nodig opdat er muzikale manifestaties kunnen plaats vinden en het heeft geruime tijd geduurd voordat de NV voldoende deskundigheid had ingehuurd om een muzikaal en artistiek beleid te kunnen voeren. Het is dan ook nauwelijks verrassend dat het beleid zich vooral richtte op het in stand houden van het gebouw, vervolgens op de al snel roemruchte dirigent – Willem Mengelberg – en dat pas daarna rekening kon worden gehouden met de orkestmusici. In 1903 had dit al geleid tot een eerste ernstig conflict, dat niet het laatste zou zijn. In 1915 pas verenigden de orkestmusici zich in de Vereeniging “Het Concertgebouworchest”.

Meteen na de bevrijding had deze vereniging haar foute, door een NSB-er aangevoerde bestuur verwijderd en het vooroorlogse bestuur, bestaande uit de musici Heuwekemeijer, Scager en Mesman, trad weer aan. Er was zeer veel te doen. Het orkest moest weer kunnen functioneren, de foute orkestleden moesten er uit en onbekend was nog of – en zo ja: welke - joodse orkestleden de oorlog overleefd hadden.
Bijna alle musici die tijdens de oorlog hadden mogen doorspelen, voelden zich misbruikt: ze hadden automatisch het lidmaatschap van het Muziekgilde (binnen de Kultuurkamer) aangesmeerd gekregen, ze hadden moeten spelen voor nazi-organisaties en bij nazi-herdenkingen en men was bezorgd dat zulke optredens het orkest en/of zijn leden zou worden aangerekend. Dat dirigent Mengelberg niet zou terugkeren, nou ja, maar de geliefde dirigent Eduard van Beinum had zich bij besmette concerten niet altijd kunnen drukken en hij had het orkest een paar keer bij zulke Duitse manifestaties gedirigeerd. Van Beinum moest absoluut door de ereraad worden vrijgesproken. Men was het er over eens dat het de schuld van directeur Rudolf Mengelberg was geweest dat het orkest én Van Beinum hadden opgetreden op zulke plaatsen waar zij eigenlijk nooit hadden willen optreden. Van Lier had die argumenten al een keer op een rijtje gezet, in dat nummer van De Vrije Kunstenaar.
Mij lijkt zeer waarschijnlijk dat de bestuursleden van Het Concertgebouworchest met Van Lier hebben overlegd. In het archief van Van Lier – in beheer bij het Nederlands Muziekinstituut – bevindt zich de doorslag van een concepttoespraak van voorzitter Heuwekemeijer. Na een eerste gesprek van de bestuursleden en Donkersloot over het orkest en over Van Beinum stuurde het bestuur nog een brief met een samenvatting van dat gesprek aan Donkersloot. De argumentatie lijkt als twee druppels water op die van Van Lier. In het bovengenoemde archief van Van Lier zit ook de doorslag van een getypte brief, gericht aan Donkersloot en met de – getypte – namen van Heuwekemeijer, Scager en Mesman; ik weet niet of dit nu werkelijk een doorslag van dé samenvattende brief is …

Rudolf Mengelberg en de Ereraad voor de muziek
De ereraden hadden nog maar nauwelijks voldoende tijd gehad om enkele speciale gevallen te behandelen en sancties op te leggen. Allereerst de kopstukken van de  Kultuurkamer en van het Departement natuurlijk, maar ook twee kopstukken van het Concertgebouw, dirigent Willem Mengelberg en de directeur Rudolf Mengelberg. Willem Mengelberg werd aanvankelijk voor het leven geschorst maar later werd deze sanctie door de Centrale Ereraad voor de Kunst verminderd tot 6½ jaar. In kringen rond het Concertgebouw werd pragmatisch gereageerd. De sanctie werd ‘zwaar’ gevonden maar niet onbegrijpelijk: de arme man was inderdaad zó wereldvreemd geweest, had de Nederlandse aard zó weinig begrepen dat hij niet meer te handhaven was.

De beschuldigingen aan het adres van Dr. Rudolf Mengelberg zijn al een paar maal ter sprake gekomen. De beschuldigingen, de aanklacht en de verdediging worden door Micheels uitgebreid beschreven (pp.364-379). Rudolf Mengelberg wordt door de Ereraad voor de Muziek onder voorzitterschap van Donkersloot veroordeeld: het bestuur van de NV Het Concertgebouw ontvangt de opdracht dat hij met onmiddellijke ingang ontslagen moet worden. Het bestuur weigert en gaat bij Donkersloot in beroep, maar zonder resultaat. Op 12 juli ontvangt het bestuur bericht, ditmaal van Militair Gezag, dat R. Mengelberg zonder uitstel ontslagen moet worden.

De Brochure: Rudolf Mengelberg is een integer mens, Van Lier vooral een opportunist
Slechts enkele dagen daarop volgt dan de brochure getiteld Is dat zuivering? Beschouwingen in verband met de zaak Dr Rudolf Mengelberg. Het is een fel verweerschrift waarin R. Mengelberg wordt vrijgesproken en al Mengelbergs aanklagers op hun beurt worden aangeklaagd, met name Van Lier. Als bijlage is in deze Brochure het rapport van Van Lier (en Thomassen) aan de Minister van Justitie te Londen afgedrukt. Zo weet ik dan eindelijk wat er in dit rapport gestaan heeft.
Deze brochure bleek te vinden bij het NIOD. Merkwaardig genoeg stonden als auteurs vermeld Bertus van Lier en J. Thomassen. Voor enkele ogenblikken is dat onbegrijpelijk maar dan ligt het voor de hand: de bijlage, achter de eigenlijke tekst van de brochure afgedrukt, is ondertekend door Van Lier en Thomassen en de bibliotheekmedewerker heeft op dat moment niet verder gezocht.

De brochure was ondertekend door mr J.T. Asser, Dr K.Ph. Bernet Kempers, , mr. M. van Doorninck en Herman van den Eerenbeemt. Wie het ook geschreven moge(n) hebben, het is een knap stuk werk, vlijmscherp en bot tegelijk en, zo nodig, zonder aarzelen grof. Een fraai staaltje is het commentaar op het ontslag van den heer M.H. Flothuis op pp. 13 en 14.
Een verdediging van de beschuldigden in dit geschrift – naast Van Lier als hoofdschuldigen Paul F. Sanders en Johanna Bordewijk-Roepman, Donkersloot, vanzelfsprekend en ieder die zitting had in de Ereraad die over R. Mengelberg oordeelde en ook de Federatie van Kunstenaarsverenigingen als geheel - lijkt mij zinloos en nutteloos. De schrijvers veroordelen zich zelf.
Maar de beschuldigingen die door de schrijvers geuit worden, dat is een andere zaak. Want die beschuldigingen, soms absurd maar soms heel knap nét naast de waarheid, zijn bekwaam geformuleerd populistisch en vooral handig. De beschuldigingen aan het adres van Van Lier zijn blijven hangen, tot vandaag toe – zoals is gebleken.

De schrijvers van de Brochure menen precies te weten waarmee Van Lier tijdens de oorlog bezig was: dirigent worden van het Concertgebouworkest en daarom dreigt hij al zijn tegenstanders met zuivering en hij dreigt 90-95% van de musici met ontslag, want bijna alle orkestleden die hadden doorgespeeld waren immers lid geworden van de Kultuurkamer (zij het automatisch via het kantoor van Het Concertgebouw). Van Lier kón Dr. Rudolf Mengelberg eenvoudig niets verwijten want deze had slechts gehandeld in opdracht van het Bestuur van de NV Het Concertgebouw, en dat Bestuur durven ze natuurlijk niet aan te pakken. Hier geschiedt groot onrecht!

In Van Liers Rapport is iets anders te lezen: hij deed (nogmaals: in augustus 1944) een dringende aanbeveling dat alle orkesten tijdelijk op non-actief zouden worden gesteld totdat deze orkeststructuren waren onderzocht – en waar nodig gezuiverd volgens normen door de Regering vast te stellen. Tijdens dit non-actief, als noodmaatregel, zou er een (nood-) orkest moeten worden samengesteld waarin uitsluitend zuivere musici zouden spelen en, ja, Van Lier was zeker bereid aan zo’n project mee te werken.

De ondertekenaars van de Brochure, met name Bernet Kempers
Van drie van de vier ondertekenaars weet ik weinig. Asser was juridisch adviseur van Rudolf Mengelberg, Van Doorninck was voor de oorlog bestuurslid, mogelijk voorzitter, van de Vereniging van Vrienden van het Concertgebouw geweest, Van den Eerenbeemt was voorzitter van de AKKV – de Algemene Katholieke Kunstenaarsvereniging.
Over Bernet Kempers is iets meer te zeggen, hij was musicoloog; voor de oorlog doceerde hij muziekgeschiedenis aan het Amsterdamsch Conservatorium, werd privaatdocent – in 1937 lector – aan de Amsterdamse universiteit. (In die kringen ontmoette Bernet Kempers later ook Donkersloot en zo raakte hij betrokken diens Manifest tegen de Kultuurkamer.) Bernet Kempers was – als reeds eerder aan de orde kwam - ook betrokken bij de KNTV, werd secretaris van het hoofdbestuur in 1934, in 1936 tevens secretaris van een ‘oude’ Federatie nl. de Federatie van Toonkunstenaarsvereenigingen (en redacteur van het blad van die Federatie “De Wereld van de Muziek”). In 1945 was Bernet Kempers als nieuwe voorzitter van de KNTV aanwezig bij de besprekingen over de op te richten ‘nieuwe’ Federatie en daar toonde hij zich tégen: de KNTV zou zich zonder koersverlegging niet aansluiten.

Als feitelijke schrijvers van de Brochure tip ik, zonder enig bewijs overigens, de heren Asser en Bernet Kempers, Asser vanwege de kundigheid waarmee al wat om- en verdraaibaar was ook omgedraaid of verdraaid wordt, de retoriek van de pleitnota; Bernet Kempers vanwege de hardheid waarmee hij zijn overtuiging en zijn belangen verdedigde. (Zijn adviseurschap sinds 1946 bij het Concertgebouworkest, genoemd in een biografisch artikel, kan natuurlijk niet kloppen, want dat orkest werd pas na 1952 zelfstandig. Als de betrokkenheid in 1946 tot stand kwam, dan was hij adviseur geworden van de NV Het Concertgebouw. En áls het in 1946 gebeurde, was dat dan wellicht een beloning voor bewezen diensten?)
De inkt van de schrijvers lijkt afkomstig uit de koker van het bestuur van de NV Het Concertgebouw, daarbij hartelijk en ambitieus bijgestaan door Bernet Kempers, die altijd veel gelegen lijkt te zijn geweest aan zijn eigenbelang en aan de verbreding van zijn machtsbasis.

Feiten en geruchten
Feit is, dat de verdraaiingen van Asser en Bernet Kempers over het algemeen werden geloofd. Zij zijn het die het getal 90-95% noemen (blz. 8) maar ook dit cijfer wordt nogal algemeen Van Lier aangerekend als het percentage dat volgens hem geschorst zou moeten worden. Samama in Nederlandse muziek in de 20ste eeuw (pp. 195) rekent het Van Lier niet aan maar schrijft wel . . . zovelen hadden doorgewerkt (volgens Bertus van Lier zelfs 95 procent van de musici) …  
Tekenend voor het succes van de Brochure is wel dat het bestuur van Het Concertgebouworchest zich, na het opduiken van de rapportage uit augustus 1944 aan de minister van Justitie, nogmaals tot Donkersloot wendt, tot de voorzitter van de Ereraad voor de Muziek, om te protesteren – voor de zekerheid – tegen het door Van Lier in zijn rapport gestelde, terwijl zij zich nog tot voor zeer kort regelmatig door Van Lier hadden laten adviseren. Juist de leden van dat bestuur zouden toch op de hoogte kunnen zijn van Van Liers op dat moment actuele denkbeelden. Het angstcijfer 90-95% - en dan zou het gaan over te schorsen musici – was afkomstig uit de Brochure en niet uit Van Liers opgedoken rapport of enig ander geschrift van zijn hand. Waar of niet, Asser en Bernet Kempers hadden een zeer gevoelige plek geraakt met hun geschrift en het ergste viel te vrezen.
Het orkest wilde graag zo snel mogelijk spelen maar Van Beinum en andere dirigenten waren nog geschorst in afwachting van de behandeling van hun zaak. Maar het orkest weigerde op te treden als Van Beinum niet op de bok stond.

De geruchtenmolen: in die zelfde tijd begon het gerucht rond te zingen dat Van Lier zich zo hard opstelde tegen musici die gecollaboreerd zouden hebben en tegen Van Beinum in het bijzonder, omdat hij, Van Lier, dan wel over zou blijven om de dirigent van het Concertgebouworkest te worden. Ook de door Asser en Bernet Kempers gesuggereerde cijfers doen opgeld: Van Lier zou bijna alle musici willen ontslaan, ze waren immers lid van de Kultuurkamer geweest.

Van Lier zelf is zeker even verrast als ieder ander. Hij heeft zijn rapportage via een als veilig aanbevolen weg naar Londen gestuurd, hij is daarna niet gearresteerd en het is dus niet onderschept door de Duitsers. Maar blijkbaar – ik zeg het nu maar – is het wel degelijk ergens onderschept! En de vraag hoe nu juist Asser en Bernet Kempers over Van Liers rapport konden beschikken is tot nu toe nog onbeantwoord gebleven.
Het kwam Van Lier wel erg slecht uit, dit onderschepte en van een nieuwe interpretatie voorziene rapport, op een voor zijn tegenstrevers strategisch zo gunstige moment. Van Lier en de meeste van zijn medestanders waren natuurlijk niet wezenlijk van mening veranderd, eerder was de naoorlogse realiteit minder scherp geslepen dan dat tijdens de oorlog het geval was. Maar nog steeds zouden kwade of domme slechteriken door de bevoegde instanties bestraft moeten worden, zo meende men in die kringen. Helaas, de Regering deed intussen weinig of niets.

Zuivering al snel minder populair
Bij de eerste poging tot zuivering van de kunst had de overheid via Militair Gezag wel de zuiveraars benoemd, maar tegelijkertijd nagelaten om de zuivering een juridische basis te geven.
Bij de uitspraken van de nieuw gevormde Centrale Ereraad voor de Kunsten was die juridische basis er ten slotte wel. Daarmee was de bewijslast een stuk zwaarder geworden, een goed ding; nogal wat eerdere oordelen werden teruggedraaid en andere oordelen werden minder zwaar bestraft. Ik zie die verlaagde strafmaat niet alleen als het gevolg van het aantreden van juristen, maar ook als uiting van de in hoog tempo veranderende omgangsvormen.
In menig opzicht was de zuivering in diskrediet geraakt. Individuele leden van de ereraden, die soms meenden dat de beoordeling van te zuiveren personen te streng was geweest of dat onjuiste criteria werden gehanteerd, trokken zich terug; anderen, met een fijne politieke neus kregen in de gaten hoe de omstandigheden zich na bevrijding snel aan het wijzigen waren. Alsjeblieft, niet te veel gezeur! Daar was dan ook dat vervelende gedoe rond de Mengelbergs. We hebben met z’n allen een moeilijke tijd achter de rug! Laat die orkesten toch spelen, we willen muziek horen.
Maar de minder rekkelijken waren nog lang niet getemd, bijvoorbeeld Donkersloot, de voorzitter van de Ereraad voor de Kunst en bij de Ereraad voor muziek het raadslid Johanna Bordewijk-Roepman en de adviseurs Paul F. Sanders en Bertus van Lier.

Het oordeel over Rudolf Mengelberg teruggedraaid; de Kwestie Van Kempen
Na het in werking treden van de nieuwe Centrale Ereraad voor de Kunsten tekende menig door een Ereraad veroordeelde beroep aan, zo ook Rudolf Mengelberg. Op 28 januari 1947 volgt de uitspraak waarbij Rudolf Mengelberg wordt vrijgesproken, zij het met een aantekening, omdat hij in oorlogstijd van het DVK twee staatsprijzen heeft aanvaard.
Mengelberg wordt met terugwerkende kracht weer aangesteld als directeur van de NV Het Concertgebouw. Rudolf Mengelberg kan tevreden zijn, zo ook het Bestuur van de NV Het Concertgebouw. De status quo ante is hersteld.

Minder tevreden zijn de leden van het Concertgebouworkest en het bestuur van hun belangenvereniging. Die streefde immers naar een scheiding van tafel en bed tussen Gebouw en Orkest. Maar de slavernij, zoals de onderschikking van het orkest aan de belangen van het gebouw werd ervaren, bleef nog enige tijd bestaan. Het wachten was op een volgende gebeurtenis die kon worden aangegrepen en dat gebeurde pas in 1951: de Kwestie Van Kempen.

Voor een benoeming in 1932 in Oberhausen had de dirigent Paul van Kempen de Duitse nationaliteit moeten aanvragen en zijn daarop volgende carrière speelde zich voor een belangrijk deel in Duitsland af. In 1949 werd hij chef-dirigent van het Radio-Philharmonisch Orkest en hij bleef daar in functie tot zijn dood in 1955. Van Kempen, blijkbaar een bekwaam dirigent, had in 1944 gastdirecties bij het Residentie-Orkest vervuld en dat werd hem in Nederlandse kringen zeer aangerekend. Tamelijk snel na de oorlog zou hij belangstelling getoond hebben om Willem Mengelberg op te volgen en dat werd bepaald onkies gevonden; juist iemand als hij hoorde zich niet te mengen in een situatie die wel leek op een echtelijke ruzie.
In de jaren 1950-51 was Eduard van Beinum, eerste dirigent van het Concertgebouworkest, wegens ziekte dikwijls niet in staat te dirigeren en op veel bekende dirigenten werd regelmatig een beroep gedaan om hem te vervangen. Zo ook in januari van 1951, maar voor het volksconcert op Zaterdag 27 januari en voor de matinee van Zondag 28 januari waren de gebruikelijke vervangers geen van allen beschikbaar. Rudolf Mengelberg deed een beroep op Van Kempen – overigens na overleg met het bestuur van Het Concertgebouworchest dat hem had geïnformeerd dat het orkest geen bezwaar had tegen de Heer van Kempen, maar dat er bij het publiek wel degelijk ernstige bezwaren leefden. Van Kempen was beschikbaar en zo werd het aldus door Rudolf Mengelberg geregeld. Voor beide concerten op het programma: het Requiem van Giuseppe Verdi.
Maar bij het concert van zaterdagavond braken ongeregeldheden uit gericht tegen Van Kempen: geroep, gefluit, stinkbommen, politie in de zaal. Nazihonden! wordt er geroepen, Zurück ins Reich en iemand heft het Horst Wessellied aan. Ieder op het podium reageerde boos of gegeneerd, maar het concert schijnt toch min of meer voltooid te zijn geraakt.
Het middagconcert op Zondag dan. Voor de zekerheid was er binnen al politie achter de hand en bereden politie buiten. Het orkest en het koor gaan zitten, de solisten nemen hun plaatsen in, Van Kempen komt op, wil beginnen en de herrie breekt los. Geschreeuw, gefluit, de politie wil ingrijpen. Opnieuw wordt er Nazihonden geroepen en Sieg Heil. Klappertjespistolen knallen. Op een gegeven moment staan 62 van de 80 orkestleden op en zij verlaten het podium.
Het concert werd door Mengelberg geschorst voor tien minuten en na afloop van die termijn weigerden de podiumverlaters het concert te hervatten.
Dat was het einde van het concert, maar niet van de rel. De volgende dag meldden alle musici zich voor de repetitie – nieuw programma, andere dirigent – maar zij werden niet toegelaten. Het bleek dat zij collectief ontslagen waren. Er werden snel enkele steuncomités opgericht.
Onder de kop Misbehaviour in Amsterdam weet Time Magazine te melden dat er twee controverses ten grondslag liggen aan de ontevredenheid van de musici(!) 1) een voornemen van de directie om aan de dirigent in oorlogstijd Willem Mengelberg, thans in ballingschap levend, een pensioen toe te kennen en 2) de wens van de Socialisten om het orkest los te maken uit privéhanden en het geheel over te dragen aan de stad.
Voor de goede orde: de musici hebben altijd volgehouden dat niet van hen verlangd kon worden dat zij onder zulke omstandigheden konden optreden en de Kunst konden dienen.

Opnieuw deden er geruchten over de betrokkenheid van Van Lier de ronde. Maar ik meen te weten dat zulks niet het geval was en ik heb van zulke verdenkingen eigenlijk niets meer teruggevonden. Met de verslaggeving in Het Parool mocht Van Lier zich destijds van de hoofdredacteur niet bemoeien, de berichtgeving was in handen van Van Liers collega, Lex van Delden. Het was dus niet Van Lier maar wel ‘de krant’ die de musici steunde.

Hoe dat alles ook zij, er moest een compromis worden gesloten, want drie kwart van het orkest kon niet de laan uitgestuurd worden zonder ernstig kwaliteitsverlies. De ontslagen werden ten slotte ongedaan gemaakt. Rudolf Mengelberg was door de gebeurtenissen zo aangegrepen, dat hij zich niet in staat achtte zijn functie nog langer te vervullen. Hij werd op zijn verzoek eervol ontslagen en verhuisde naar Zwitserland waar hij enkele jaren later overleed.

De positie van Van Lier
Het is wel zeker dat Van Lier nog steeds de ambitie had ergens als dirigent benoemd te worden, bij voorkeur bij het Concertgebouworkest. Helaas voor Van Lier werden de aantijgingen van Asser en Bernet Kempers algemeen aanvaard; bijna niemand nam meer de moeite deze te vergelijken met wat hij wel had geschreven.
Maar afgezien daarvan: hij had, bewust of onbewust, de bedoelingen van het Concertgebouwbestuur gedwarsboomd en daarmee had hij zich zo niet impopulair dan ten minste verdacht gemaakt bij de meeste regenten die hij daarvoor nodig had. Hij kon zijn dirigeerambities wel op zijn buik schrijven!

Nog een keer: toen en nu
Er is haast onbeschrijfelijk veel gebeurd. Mensen hebben gedood, over elkaar geoordeeld, dit gedaan, dat gedaan, gemanipuleerd, belangen en vermeende belangen verdedigd. Het is nu – meer dan – 65 jaar geleden. In Nederland heeft een Rijksinstituut geprobeerd het allemaal uit te zoeken en er is een reeks van proefschriften en andere studies verschenen waarin de gebeurtenissen zijn beschreven en waarin gepoogd is antwoorden te vinden. Dat is waarschijnlijk nog niet op alle gebieden gebeurd maar mij lijkt de geschiedenis in grote lijnen wel bekend.
Het conflict tussen Bertus van Lier en Rudolf Mengelberg is opvallend hoog opgespeeld. Bij het oplossen van dit conflict was er blijkbaar geen mogelijkheid het taalgebruik wat milder te maken, eventueel afgezanten te laten bemiddelen. Het kon niet opgelost, het moest uitgevochten worden.

Winnaars en verliezers
Bertus van Lier en Rudolf Mengelberg. Beiden waren – voor, tijdens en na de oorlog – die zij waren en beide zijn ze opgekomen voor de belangen die hen ter harte gingen. In Bertus van Lier, mijn vader, is het moeilijk de gewiekste intrigant te zien als beschreven door Asser, Bernet Kempers c.s.; (en over Bernet Kempers denk ik dan ook: zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten). Ook heb ik geen enkele reden om aan te nemen dat Rudolf Mengelberg, de hoeder van gevestigde belangen, een slecht mens was.
Het opvallendst is toch dat de grote verliezers bij dit conflict juist Van Lier en Mengelberg zelf waren. De grote winnaar was natuurlijk het Concertgebouworkest.
En er was nog een winnaar, althans iemand die gewonnen had: Dr. K. Ph. Bernet Kempers, die in 1946 –hetzelfde jaar dat hij adviseur werd van de NV Het Concertgebouw – benoemd werd tot buitengewoon hoogleraar aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam,

Waren beide verliezers dom of waren ze in een conflict verzeild geraakt dat veel groter was dan zij zelf? Zeker het laatste; en dat beweer ik niet omdat ik zo dol ben op samenzweringstheorieën.
Mij lijkt dat het feitelijke conflict uiteindelijk werd opgelost door de kwestie Van Kempen. Natuurlijk, er was gezichtsverlies voor het bestuur van de NV Het Concertgebouw maar echte mannen, zoals ook deze bestuursleden, hebben allang geleerd zich te schikken in het onvermijdelijke. De NV Het Concertgebouw bleef bestaan als – belangrijke en gewaardeerde – concertfaciliteit en het Concertgebouworkest splitste zich formeel af en het zou voortaan de ‘Nederlandse Orkeststichting tot beheer van het Concertgebouworkest’ heten.
Rudolf Mengelberg had eveneens zijn gezicht verloren. Hij zag het niet meer zitten, vroeg en kreeg eervol ontslag en verhuisde naar Zwitserland, waar hij enkele jaren later overleed.

Waar – en of – Van Lier gezichtsverlies heeft geleden is niet zo goed aan te wijzen. Niettemin, zijn dirigeerambities van voor de oorlog kon hij goeddeels vergeten. Hij dirigeerde af en toe een orkest, het Concertgebouworkest, zeker, ook radio-orkesten en natuurlijk amateurorkesten, koor en orkest van de Rotterdamse Volksuniversiteit en Bragi van de Groningse studenten en zo bleef hij ook uitvoerend musicus, waarvan hij genoot. Maar de mogelijkheid om echt die routine op te doen, die nu eenmaal onmisbaar is voor het dirigentenvak, die is hem ontgaan.
Het is mij niet mogelijk met enige zekerheid te zeggen of dit nu een direct of een indirect gevolg is van het conflict. Of dat het gewoon aan de oorlog heeft gelegen, die zijn ontwikkeling onderbrak en waardoor het momentum verloren ging. Buitengewoon spijtig voor hem – en dat is mild gezegd – was het in elk geval.

Overigens, al snel nadat de affaires voorbij waren bleken er goede tot uitstekende relaties te bestaan tussen Van Lier en vele collega-musici, die – als we Asser en Bernet Kempers zouden willen geloven – nog maar kort daarvoor door Van Lier met uitsluiting zouden zijn bedreigd. Blijkbaar hadden zij elkaar in wezen steeds goed begrepen.

De website van het NMI
Enige tijd geleden opende het Nederlands Muziekinstituut (NMI) een website over de muziek in Nederland en wat zich daar omheen afspeelde tijdens de Tweede Wereldoorlog Het is een boeiende site over een boeiend onderwerp. Niet alleen de kant van de klassieke muziek maar ook de lichte muziek. Mooie verhalen, vreselijke verhalen, interviews, soundbites. Indrukwekkend en aanbevolen.
Op deze site trof ik (begin januari van dit jaar) een hoofdstukje over mijn vader, de componist Bertus van Lier. Aanvankelijk baseerde de schrijver van dit stukje, Geert van den Dungen, zich op het vertekende beeld van Asser en Bernet Kempers, althans zo leek het; alweer zou Van Lier de levens van collega-musici in gevaar hebben gebracht en in de zuiveringszaak Rudolf Mengelberg zou hij een dubieuze rol hebben gespeeld. Gelukkig bleken de redactie van de site en de schrijver van het stukje ten slotte bereid deze aantijgingen te verwijderen. Waarvan akte! Het gecorrigeerde stukje is te vinden door te klikken op de balk musici en artiesten en kies dan het hoofdstukje Bertus van Lier (1906-1972), doelgerichte gedrevenheid in dienst van principes.
Volgens een mededeling op de website WO-2-muziek werkt Van den Dungen aan de biografie van Rudolf Mengelberg. Hij zal daarbij nu rekening kunnen houden met de mogelijkheid dat de Brochure van Asser, Bernet Kempers c.s. om redenen een specifieke voorstelling van zaken heeft willen geven. Niet anders – overigens – als ik gedaan heb in bovenstaand artikel; er valt nog het een en ander te onderzoeken.

Hans van Lier

augustus 2011


> terug naar bovenkant pagina > home