> home > biografie
> oorlogstijd > saneering > links

Beschouwingen

Hierna volgt de tekst van de zogenoemde ‘brochure’. In de bibliotheek van het NIOD bevindt zich een drukproef met catalogusnummer Ned. 12.2 Men1.
Het bleek technisch moeilijk deze brochure te reproduceren, zodanig dat de reproductie op deze website kon worden getoond. Daarom is de tekst overgetypt, echter, de inhoud is op geen enkele wijze veranderd!
Wel zijn de twee in deze brochure opgenomen teksten gesplitst.

De brochure omvat namelijk twee delen, om te beginnen de tekst van de heren Asser, Bernet Kempers, Van Doorninck en Van den Eerenbeemt getiteld ‘Is dat zuivering? Beschouwingen in verband met de zaak Dr. Rudolf Mengelberg’ en vervolgens, als bijlage, de rapportage van Van Lier – medeondertekend door mr. J. Thomassen – gericht aan Zijne Excellentie den Minister van Justitie getiteld ‘Saneering van het muziekleven’.

De rapportage van Van Lier aan de Minister van Justitie en de verdediging van Dr. Rudolf Mengelberg door Asser, Bernet Kempers c.s. behoren oorspronkelijk niet bij elkaar. Beide teksten zijn door Asser, Bernet Kempers c.s. bij elkaar gevoegd. Zoals is gebleken, worden beide aldus regelmatig verward en door elkaar gehaald.
Daarom treft de lezer hier alleen aan de tekst van Asser, Bernet Kempers c.s.
De rapportage van Van Lier, waar op deze website al eerder naar werd verwezen, is ook hier te vinden.

IS DAT ZUIVERING?

Beschouwingen
in verband met de zaak
Dr. RUDOLF MENGELBERG


Ned.
12.2
Men 1


VÓÓR 14 MEI 1940 was Nederland een rechtsstaat. De materieele en ideëele rechten en belangen van een ieder werden door de Wet en een kundige, rechtvaardige en onpartijdige rechterlijke macht beschermd, ook tegenover de Overheid.
Toen kwam de bezetting.
Voor zoover de rechtspraak in handen bleef van de bestaande Nederlandsche colleges, werden de oude normen gehandhaafd. Maar steeds meer greep de bezetter met ruw geweld in op welhaast ieder terrein, totdat eindelijk de individu practisch geheel rechteloos tegenover de bezettende overheid kwam te staan.
De rechtszekerheid, die de Nederlandse staatsburger gekend had, maakte plaats voor de meest volstrekte rechteloosheid en rechtsverkrachting.
Reikhalzend zag men uit naar de bevrijding. Men wist reeds, toen men nog onder de nazi-terreur gebukt ging, dat nieuwe rechtsinstituten zouden worden geschapen: een bijzondere rechtspleging voor landverraders en collaborateurs en een verdere zuivering van hen, die zich tijdens de bezetting onjuist hadden gedragen, alles maatregelen, welke de juiste verhoudingen in het nationale bestel zouden doen wederkeeren en welke deswege alom met vreugde en voldoening werden begroet. Met strenge hand zou tegen misdadige elementen worden opgetreden, maar, waar hun berechting zou worden gelegd in handen van goede vaderlanders, zou deze tevens onpartijdig en rechtvaardig zijn.
Zoo was althans de illusie!
Helaas is, zoo kort pas na de bevrijding, die illusie op één punt wreed verstoord.
Het is nl. gebleken dat de allereerste handelingen, die zijn verricht met betrekking tot de zuivering van het muziekleven, nl. de zuivering van het Concertgebouw en met name de behandeling van de zaak dr. Rudolf Mengelberg, den objectieven toetst van rechtvaardigheid en onpartijdigheid in geen enkel opzicht kunnen doorstaan.
Terwille van de hoogheid van onze vaderlandsche instellingen en van het onderling vertrouwen dat in de betrekkingen tusschen de Nederlandse overheid en de burgers steeds hier te landen heeft bestaan, maar evenzeer terwille van de rechtvaardigheid, welke niet duldt dat over onschuldigen een veroordeelend vonnis wordt uitgesproken, hebben wij gemeend op deze zaak het volle licht te moeten werpen.

Uitspraak van den Eereraad
In de, in den avond van 5 Juli 1945 in Amsterdam verschijnende dagbladen is opgenomen onder het hoofd “Eereraaduitspraak over het Concertgebouw te Amsterdam”.
De uitspraak begint met de volgende passage:

“Amsterdam, 4 Juli. – De eereraad voor de muziek heeft onderzoek gedaan naar de houding van de artistieke leiding en de dirigenten van het Concertgebouw-orkest te Amsterdam, gedurende den bezettingstijd.
De eereraad is van oordeel, dat Dr. Rud. Mengelberg in zijn houding gedurende de bezettingsjaren, in samenwerking met het bestuur van het Concertgebouw, zoo weinig verzet heeft geboden tegen ongerechtvaardigde eischen en tegen aanslagen op de hem toevertrouwde belangen, dat zijn beleid verre is gebleven onder dat, wat men van iemand in zijn leidende positie had mogen verwachten. De eereraad is eenerzijds overtuigd van de goede trouw, waarmede de heer Mengelberg dit beleid heeft gevoerd, doch anderzijds dienen de objectieve resultaten zoo nadelig voor de Nederlandsche zaak geacht te worden, dat hij naar het oordeel van den raad op deze plaats niet de rechte man is.”

Met enkele koele woorden wordt hiermede aan den volke kond gedaan dat iemand, die sedert 28 jaren in het Nederlandsche Muziekleven werkzaam is en die sedert 1925 een in steeds stijgende mate belangrijke en leidinggevende functie daarin heeft vervuld, naar het oordeel van een, oogenschijnlijk onafhankelijk en onpartijdig college, in den bezettingstijd de groote, hem toevertrouwde cultureele belangen en dus de “Nederlandsche zaak” met zóó weinig energie en durf tegen den Duitschen dwang heeft verdedigd, dat hij getoond heeft niet “de rechte man op deze plaats te zijn geweest.”
De uiterst bittere pil van dit, voor een man van eer verpletterend oordeel, wordt dan lichtelijk verguld door de toevoeging dat de Eereraad “overtuigd is van de goede trouw, waarmede de heer Mengelberg dit beleid heeft gevoerd.”
Aan slechts de meer ingewijden is bekend, niet alleen dat door deze uitspraak aan Dr. Rudolf Mengelberg een grievend en volslagen onverdiend onrecht wordt aangedaan, dat dringend om rechtzetting vraagt, maar ook dat op gronden, welke hieronder nader zullen worden uiteengezet, aan die uitspraak ieder gezag van een onpartijdig vonnis moet worden ontzegd.
Doel van dit geschrift is om in breede lagen van de Nederlandsche bevolking openbaarheid te geven aan de werkelijke feiten, die den achtergrond vormen van deze aangelegenheid. Zulks is noodzakelijk, niet alleen om den goeden naam van een van Nederlands belangrijkste kunstenaars van de daarop geworpen, geheel onverdiende en ongegronde blaam schoon te wasschen; wij beoogen tevens om in het algemeen belang te verhinderen, dat de Eereraad voor de Muziek in zijn huidige samenstelling en met de thans gevolgde methodes zijn werkzaamheden voortzet. Immers, de wijze waarop de zaak Dr. Rudolf Mengelberg is behandeld, is een aanfluiting van de begrippen van gerechtigheid en billijkheid, welke, gelukkig ook thans nog, door de overgroote meerderheid van ons volk worden gehuldigd en welke steeds, terecht, als een der hechtste peilers der Nederlandsche beschaving zijn beschouwd.

De zuivering in het algemeen
De politieke zuivering van het maatschappelijk leven in al zijn geledingen is, naast de berechting van landverraders en zgn. collaborateurs, een zaak van zóó eminent nationaal belang, dat zij misschien staat op dezelfde trap als die, waarop de wederopbouw van ons Vaderland moet worden geplaatst. Dit belang is evenwel tweeledig:
eenerzijds het belang der maatschappij, dat eischt uitstooting uit hun functies van hen, die, “van ontrouw aan de zaak van het Koninkrijk, aan de Koningin of aan de Regering hebben doen blijken, of van wie op grond van hun houding vóór of tijdens de bezetting ingenomen, niet een getrouwe medewerking aan het herstel van het Vaderland kan worden verwacht” [1]
anderzijds het belang van hen, die zich voor een Zuiveringscommissie of Eereraad hebben te verantwoorden. Dit tweevoudige belang brengt mede, dat de behandeling van de zaak en het daarin te wijzen vonnis omgeven worden met de grootst mogelijke waarborgen van onpartijdigheid, rechtvaardigheid en voorzichtigheid. Zulks klemt te meer, waar in de meeste gevallen een veroordeelend vonnis de vernietiging van de carrière en dikwijls van de maatschappelijke existentie van den betrokken persoon ten gevolge zal hebben.
Er is dan ook geen enkele reden om de zuiveringsrechtspraak te omringen met mindere waarborgen dan die, welke voor de gewone crimineele rechtspraak gelden.

De zuivering van de kunstenaarsberoepen en in het bijzonder het muziekleven
Terwijl de zuivering van de openbare ambten (het Overheidspersoneel) steunt op het Zuiveringsbesluit (S.E. No. 14), ligt aan de zuivering van de kunstenaarsberoepen geen enkel wettelijk voorschrift ten grondslag.
Het Militair Gezag, handelende uit eigen initiatief, heeft een aantal Eereraden in het leven geroepen en hun de opdracht verstrekt de zuivering van het kunstleven ter hand te nemen.
Op zich zelf zou men daarmede vrede kunnen hebben, ware het niet, dat de afwezigheid van den wettelijken grondslag gepaard gaat met een ontbreken van iederen onjectieven, d.w.z. in een wet verankerden norm, welke de Eereraden bij hun rechtspleging zouden moeten toepassen.
Voor de Eereraden, althans voor den Eereraad voor de Muziek, bleek dit echter geen beletsel om welgemoed aan het werk te tijgen.
Zoo is het kunnen geschieden, dat in de zaak van het Concertgebouw een aantal personen zich voor den Eereraad ten aanzien van hunne gedragingen tijdens de bezetting hebben moeten verantwoorden, zonder dat een objectieve maatstaf voor het toelaatbare of ontoelaatbare van die gedragingen bestaat, en derhalve zonder dat de tot verantwoording geroepene wist of een of meer bepaalde, hem aangewreven handelingen al dan niet als laakbaar moesten worden beschouwd.
Wel is in de pers (o.a. in “Het Parool” van 30 Juni 1945) een verklaring der “Vereenigde Eereraden der Kunstenaarsberoepen” verschenen, waaruit het bestaan van zoodanige normen misschien zoude kunnen worden afgeleid, maar – daargelaten dat die verklaring is verschenen, nadat een aantal zaken, w.o. de zaak Dr. Rudolf Mengelberg, door den betreffenden Eereraad was behandeld – zijn die normen zóó vaag en getuigen zij van een zóódanig onjuist en bevooroordeeld inzicht omtrent de realiteit, dat zij als behoorlijke grondslag en maatstaf voor een rechtvaardige en onpartijdige berechting niet in aanmerking kunnen komen.
Tot welke fatale consequenties dit ontbreken van een aanvaarbaren maatstaf reeds heeft geleid en nog zal kunnen leiden, zal hieronder nader worden toegelicht.

De misstanden, welke zich, helaas! reeds bij den allereerste aanvang der Zuivering van het Muziekleven hebben voorgedaan, vinden hun oorzaak in een aantal omstandigheden, die ten deele uit den bezettingstijd, ten deele uit de vóóroorlogsche jaren dateeren.
Bij de waardeering van die omstandigheden is het noodzakelijk voorop te stellen dat de overgroote meerderheid der musici – zelfs is het cijfer van 90-95% genoemd – de uitoefening van hun beroep in het openbaar hebben voortgezet. Van deze overgroote meerderheid waren slechts zeer weinigen lid der N.S.B. of “deutschfreundlich” of gedreven door de zucht om, gebruik makende van de aanwezigheid der Duitsche geweldenaars, hun positie te verbeteren. Over deze landverraderlijke individuen behoeft in deze bladzijden geen woord te worden vuil gemaakt.
De tallooze goede vaderlanders, die bleven doorspelen of doorzingen, deden dit uit verschillende overwegingen, b.v. omdat zij de inkomsten voor zich zelf en hun gezinnen niet konden missen, maar ook omdat zij in geweten overtuigd waren dat door de instandhouding van het openbare muziekleven een groot Nederlandsch cultureel belang, en dus “de Nederlandsche zaak”, zou worden gediend.
Daarnaast vinden wij de kleine minderheid van hen, die, voornamelijk vanaf April 1942, niet meer in het openbaar zijn opgetreden. Ook bij hen is te onderscheiden tusschen twee categorieën: in de eerste plaats zij, aan wie op grond van hun afstamming of die van hunne echtgenooten een openbaar optreden was verboden. Voor hen bestond geen keus. Vervolgens de groep, die op principieele gronden een openbaar optreden hebben geweigerd, en zoodoende een daad hebben gesteld, welke bewondering verdient, vooral in die gevallen, waarin die daad tot een ernstige beperking van inkomsten en soms zelfs tot armoede leidde.
Door leden van beide categorieën van die kleine minderheid tezamen met leden van andere groepen kunstenaars, die sedert 1942 evenmin zijn opgetreden, is tijdens de bezetting een soort van genootschap opgericht, genaamd de “Federatie van Beroepsvereenigingen van Kunstenaars”, bestaande uit vertegenwoordigers van de vijf groote kunstenaarsberoepen en ten doel hebbende de overkoepeling van alle bestaande en eventueel op te richten organisaties van kunstenaars. Aangezien het houden van vergaderingen tijdens de bezetting niet mogelijk was, heeft het Bestuur dier Federatie zich zelf als zoodanig benoemd. In dit Bestuur, waarin Professor Dr. N.A. Donkersloot als Voorzitter optreedt, hebben zitting voor de muziek als driemanschap de heeren Bertus van Lier, Paul F. Sanders  en Mevrouw Bordewijk-Roepman.
In dit verband is van belang dat, zonder daarbij in eenig opzicht aan de begaafdheden van ieder hunner te kort te doen, de heeren van Lier en Sanders geenszins representatief zijn voor het Nederlandsche muziekleven. [2] De heer Sanders, componist van het een of enkele malen opgevoerde en sindsdien volmaakt vergeten muziekstuk, het ballet “Rataplan”, was vóór den oorlog muziekrecensent bij “Het Volk” en vervult thans de soortgelijke functie bij “Het Parool”, terwijl hij gedurende een aantal jaren tezamen met den componist Willem Pijper redacteur is geweest van het tijdschrift “De Muziek”. Als recensent van “Het Volk” verwierf de heer Sanders zich bekendheid door de bijna zonder uitzondering afbrekende critiek, welke hij over de leiding en de concerten van het Amsterdamsche Concertgebouw, zelfs in den grootsten bloeitijd van dit instituut, in zijn courant ten beste gaf. De “Hetze”, waarmede thans in “Het Parool” zoowel Bestuur, artistieke leiding als orkest van het Concertgebouw door den heer Sanders of onder zijn verantwoordelijkheid worden aangevallen, mogen wij als bekend veronderstellen. De heer van Lier geeft een eenigszins ander beeld. Oorspronkelijk opgeleid tot cellist, heeft hij in den loop der jaren een aantal werken gecomponeerd, welke tot dusverre bij het publiek weinig weerklank vonden; sedert jaren is evenwel zijn streven gericht op het vervullen van een dirigententaak, waarvoor hem echter de noodige praktijk en ervaring ontbreken.
Dat, naast het publiek, ook in de wereld der toonkunstenaars de aanhang van beide genoemde heeren uiterst gering is, behoeft nochtans op zich zelf nog geen bezwaar te zijn tegen hun deelneming aan een voorloopig bestuur der Federatie.
Des te bedenkelijker is echter het feit, dat het hun, althans tot dusverre, gelukt is met betrekking tot bepaalde problemen, zooals dat der Zuivering, een verderfelijken invloed uit te oefenen.
Immers, de heeren van Lier en Sanders, aan wie op grond van hunne afstamming ieder optreden naar buiten tijdens de bezetting verboden was, die derhalve persoonlijke nooit hebben gestaan voor het conflict optreden – niet optreden, en die dus niet in de gelegenheid zijn geweest terzake een daad te stellen, hebben zich steeds vóór, maar voornamelijk ná de bevrijding opgeworpen als de personificatie van de heldhaftige, voor musici eenig juiste houding tijdens de bezetting, en als de dragers en verkondigers van de ééne en ondeelbare waarheid op dit stuk, kortom als “les purs des purs”.
Terwijl de onmenschelijkste intolerantie, steunende op een even krankzinnige als misdadige rassentheorie, dezen heeren als kunstenaars en als menschen het zwijgen oplegde, stellen zij thans niet alleen aan iederen toonkunstenaar den absoluten eisch dat hij in de bezettingsjaren niet is opgetreden, zij veroordeelen bovendien, ongeacht de omstandigheden, als onvaderlandslievend een ieder die in strijd met dien eisch heeft gehandeld en dulden geen andere meening of standpunt naast de hunne.
Deze gezindheid komt overduidelijk tot uiting in een, door den heer Bertus van Lier nog gedurende den oorlogstijd aan den Minister van Justitie te Londen gezonden adres. Daar voor een juiste beoordeeling van de mentaliteit van den steller de lezing van dit schriftuur uiterst belangwekkend is, hebben wij gemeend een afschrift daarvan aan het slot van deze brochure te moeten toevoegen. [3]
In dit adres verlangt de schrijver in het belang van de “zuiverheid” van het muziekleven niet meer of minder dan een opheffing van de orkesten en een verbod van optreden voor de dirigenten, welke tijdens de bezetting gespeeld, resp. gedirigeerd hebben, hetgeen in de praktijk zou neerkomen op een verwijdering van het muziekleven van alle orkesten en alle ook maar eenigszins bekende dirigenten. Daarnaast wordt bepleit de oprichting, met steun van de Regeering, van een orkest, uitsluitend bestaande uit instrumentalisten, die onder de bezetting niet zijn opgetreden.
Wij kunnen hier gevoeglijk buiten beschouwing laten, welke funeste gevolgen een verwezenlijking van de plannen van den heer van Lier voor de kunst zou hebben medegebracht.
Immers daargelaten dat de vorming van een nieuw orkest, bestaande uit bedreven en politiek zgn. “zuivere” instrumentalisten – gesteld dat al een voldoende aantal gevonden zou kunnen worden – een questie van jaren zou beduiden, zou die verwezenlijking den dood van het Nederlandsche muziekleven beteekenen. Op één van die gevolgen willen wij echter niet nalaten de aandacht te vestigen, nl. dat door het verdwijnen uit de concertzalen van alle bestaande dirigenten de heer van Lier ongetwijfeld een goed eind weegs zou zijn genaderd tot een zoo vurig door hem geambieerde vaste dirigentenplaats, en wel vermoedelijk in het Concertgebouw te Amsterdam.
Was het nodig om op deze, gelukkig tevoren tot mislukking gedoemde plannen het licht te werpen?
Ja, omdat:
1e het voormelde adres tevens een reeks van uiterst onbehoorlijke en van het begin tot het einde onware aantijgingen en beschuldigingen bevat aan het adres van Dr. Rudolf Mengelberg;
2e de afdeeling “Muziek” van het Bestuur der Federatie, en dus de heeren van Lier en Sanders met practische uitsluiting van ieder ander het Militair Gezag, in den persoon van Prof. Dr. N.A. Donkersloot, hebben geadviseerd met betrekking tot alle vragen, welke verband houden met de zuivering, w.o. de samenstelling van den Eereraad.

De beschuldigingen van den Heer van Lier tegen Dr. Rudolf Mengelberg
Een man van eer, die een ander tegenover een der hoogste Staatsambtenaren – den Minister van Justitie – van een zóó ernstig vergrijp als opzettelijke collaboratie beschuldigt, zorgt ervoor dat de beschuldigde van de aanklacht kennis krijgt, opdat deze in de gelegenheid wordt gesteld zich te verdedigen.
Niet aldus de heer van Lier; immers, de heer Mengelberg heeft van het vermoedelijk in Augustus of September 1944 geschreven en verzonden adres eerst na de bevrijding in Mei 1945 door toevallige omstandigheden een copie ter lezing ontvangen.
Wel is in September 1944 in de toenmaals illegale “Vrije Kunstenaar” een anoniem stuk, bevattende een felle aanklacht tegen Dr. Rudolf Mengelberg, verschenen.
Eerst een vergelijking van het adres met het stuk in het illegale blad, welke in groote trekken, speciaal wat betreft de passage over Dr. Mengelberg, nagenoeg gelijkluidend zijn, bracht in Mei 1945 de zekerheid dat de heer van Lier de auteur van het stuk is.
In beide stukken worden door den heer Bertus van Lier, den heer Mengelberg een aantal handelingen aangewreven, welke inderdaad een ernstig karakter zouden dragen, mits de desbetreffende mededeelingen van den heer van Lier op waarheid berustten.
Dit is nu in geen enkel opzicht het geval.
In het bovengenoemde adres wordt aan Dr. Mengelberg verweten, dat hij den dirigent Eduard van Beinum zou hebben bewogen op geenerlei wijze afscheid te nemen van de Joodsche orkestleden, zulks onder het voorwendsel dat hij – Dr. Mengelberg – in moeilijkheden met de Duitsche autoriteiten zou komen. Wat echter in werkelijkheid is geschied, is dat Dr. Mengelberg aan den heer van Beinum den raad heeft gegeven zelfs iederen schijn van manifestatie ter gelegenheid van het bedoelde afscheid te vermijden, omdat, zoo dit ter oore zoude komen van de Nazi-autoriteiten, het lang niet denkbeeldig gevaar bestond dat zulks op de, toch reeds zoo geëxponeerde Joodsche orkestleden zou neerkomen. Voor een motief van vrees voor persoonlijke veiligheid is bij Dr. Mengelberg geen sprake geweest; noch ook is dit – niet bestaande – motief ooit door hem genoemd.
Vervolgens uit de heer van Lier de beschuldiging dat Dr. Mengelberg ertoe zou hebben medegewerkt, dat tijdens een herdenkingsbijeenkomst, gehouden ter gelegenheid van het overlijden van den Nazi Commissaris-Generaal Schmidt, musici van het Concertgebouw-orkest treurmuziek ten gehoore hebben gebracht. De waarheid is, dat op een verzoek van een der bureaux van Seyss-Inquart tot medewerking van het orkest door Dr. Mengelberg met een volstrekte weigering is geantwoord. Wel hebben daarop een aantal leden van het orkest zich niet ontzien om individueel tegen een belooning van f 25.- per man bij de herdenkingsbijeenkomst hun muzikale medewerking te verleenen, zulks tot verbazing en ontstemming van den heer Mengelberg.
Een verder punt behelst de betichting dat Dr. Mengelberg vergeefs gepoogd zou hebben zijn naasten medewerker, den heer M.H. Flothuis, die in fiere Nederlandsche gezindheid had geweigerd bepaalde, door het Muziekgilde geëischte formaliteiten te vervullen, tot een anti-Nederlandsche houding over te halen, daarop zou hebben toegestemd in zijn ontslag en eindelijk in zijn plaats zou hebben doen aanstellen den “Nazi-gezinden” Mr. E. Cornelis. Ook deze betichting is onwaar.
(a) De heer Flothuis, die nimmer de “naaste medewerker” van Dr. Mengelberg is geweest, doch deel uitmaakte van het secretariaat der N.V. Het Concertgebouw, had reeds in December 1939 besloten ontslag te nemen, welk ontslag hem met ingang van 1 September 1940 werd verleend. Op zijn persoonlijk verzoek, dat door den heer Bertus van Lier persoonlijk bij Dr. Mengelberg ondersteund werd, heeft het Bestuur der vennootschap, op voorspraak van den heer Mengelberg, in Juni 1940 dit ontslag wederom ongedaan gemaakt. Circa elf maanden later, nl. in Mei 1941, ontstonden tusschen den heer Flothuis en de Nederlandsche N.S.B.-autoriteiten moeilijkheden, welke de afstamming van Mevrouw Flothuis betroffen, en op grond waarvan het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten de beëindiging van de dienstbetrekking van den heer Flothuis eischte. Nadat de heer Flothuis aanvankelijk in “fiere Nederlandsche gezindheid” geweigerd had ter zake eenige concessie te doen, zond hij op 26 Juni 1941 een schrijven aan den Secretaris-Generaal van het voormelde N.S.B.-Departement, waarin hij, na onderteekening van het afstammingsformulier B (betrekking hebbende o.m. op de afstamming van Mevrouw Flothuis), herroeping van zijn ontslag als employé der N.V. Het Concertgebouw verzocht, ter ondersteuning van welk verzoek hij een beroep doet op den daartoe strekkenden, door den heer Mengelberg uitgesproken wensch, waarna de heer Flothuis in Juli 1941 uit handen van den N.S.B.-er Prof. Goedewaagen de vergunning ontving, voorloopig in dienst van het Concertgebouw te blijven.
Wederom 11 maanden later, in Juni 1942, heeft de heer Flothuis, die zonder voorkennis en medeweten van Dr. Mengelberg ten Departemente te kennen had gegeven geen deel van de Kultuurkamer te kunnen uitmaken, omdat hij tot de categorie der Joodsch-vermaagschapten behoorde, zich de mogelijkheid afgesneden om bij het Concertgebouw werkzaam te blijven.
Hoe men kan beweren dat Dr. Mengelberg vergeefs gepoogd zou hebben den heer Flothuis tot een anti-Nederlandsche houding over te halen, is al even onbegrijpelijk als het volmaakt ongegronde verwijt, dat eerstgenoemde in het ontslag van den heer Flothuis zou hebben bewilligd.
(b) De weerlegging van ’s heeren van Lier’s bewering nopens Mr. E. Cornelis, die trouwens allerminst Nazi-gezind is, kan kort zijn, daar zijne functie van geheel anderen aard is dan de destijds door den heer Flothuis vervulde taak.

De reeks van aantijgingen eindigt dan met het lasterlijk verhaal dat Dr. Mengelberg ernstige pogingen zou hebben aangewend om den heer van Beinum, die te kennen had gegeven een eventueel ten behoeve van “Frontzorg” te geven concert niet te zullen dirigeeren, alsnog daartoe over te halen, terwijl het in werkelijkheid juist mede aan het onwrikbare standpunt van Dr. Mengelberg te danken is geweest, dat deze bij herhaling en met steeds grooter klem door de N.S.B. gestelde eisch van de hand kon worden gewezen.
Aan den heer van Lier, die sedert het begin der bezetting in geen enkel nader persoonlijk contact met het Amsterdamsch Concertgebouw heeft gestaan, kon uit eigen wetenschap niets bekend zijn omtrent de feiten en omstandigheden, waarop zijn aanklacht tegen Dr. Mengelberg is opgebouwd. Hij heeft daarbij moeten afgaan op mededeelingen van derden, welke, althans inzooverre zij de gedragingen van Dr. Mengelberg betroffen, volstrekt leugenachtig zijn gebleken. Alvorens deze zoo ernstige aanklacht aan één der Ministers te zenden, en voorts daaraan door middel van de illegale pers openbaarheid te geven, had hij op zijn minst de hem verstrekte mededeelingen op hare juistheid en nauwkeurigheid behooren te onderzoeken. Naar wij willen aannemen, heeft hij zulks verzuimd, hetgeen evenwel wijst op een bedenkelijke lichtvaardigheid en gebrek aan moreel verantwoordelijkheidbesef ten aanzien van eens anders eer en goeden naam.
Bedenkelijker nog is de passage, eveneens in beide stukken opgenomen, waarin met zooveel woorden wordt gezegd, dat Dr. Mengelberg tegenover iedere daad van collaboratie een handeling heeft geplaatst, die moest dienen om van zijn goede gezindheid te doen blijken, voornamelijk individueele hulp aan Joden. Het in September verschenen nummer van “De Vrije Kunstenaar”, waarin die tirade voorkomt, is op groote schaal verspreid. De heer van Lier kon en moest rekening houden met de mogelijkheid dat één der exemplaren van dit nummer vroeger of later zijn weg zou vinden naar de schrijftafel van den S.D. of van eenige andere Nazi-instantie, in wier oogen “hulp aan Joden” practisch met spionnage of “Feinbegünstigung” gelijk stond.
Niet alleen dus dat de heer van Lier gepoogd heeft met zijn geschrijf Dr. Mengelberg tegenover Regeering en Volk van Nederland als een opzettelijken collaborateur zwart te maken; hij is er niet voor teruggedeinsd zijn slachtoffer bloot te stellen aan een vervolging van de zijde van den S.D. met alle gevolgen van dien, zulks terwijl in ruimen kringen en vermoedelijk ook aan den heer van Lier de principieel anti-nationaal-socialistische en anti-fascistische gezindheid van Dr. Mengelberg overbekend was.

De samenstelling van den Eereraad voor de Muziek
Voor een goed begrip van den achtergrond der zaak Dr. Rudolf Mengelberg was het noodig om in het voorafgaande zoo uitvoerig op den persoon en de schrifturen van den heer Bertus van Lier in te gaan en het volle licht te doen schijnen op zijn gevoelens jegens Dr. Mengelberg. Want de heer van Lier, wiens bijkans blinde haat jegens den heer Mengelberg hem ertoe heeft verleid zelfs een geringe kieskeurigheid omtrent de gebruikte middelen uit het oog te verliezen, is naast den heer Paul F. Sanders de voornaamste adviseur geweest van het Militair Gezag met betrekking tot de benoeming van hen, die als musici deel uitmaken van den Eereraad en daarin de meerderheid vormen. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan dan ook worden aangenomen, dat Prof. N.A. Donkersloot, die als Hoofd der Sectie XIV van het M.G. dit gezag voor alle kunstzaken in feite uitoefent, de hem door de heeren van Lier en Sanders voorgestelde candidaten heeft aangesteld.
Gezien den brandenden hartstocht waarmede de, krachtens de Duitsche voorschriften tijdens de bezetting uit de concertzalen geweerde heer Bertus van Lier in zijn adres aan den Minister van Justitie den staf breekt over allen, die, voor den Nazi-dwang gezwicht zijnde, als musici zijn blijven optreden, en thans hun uitstooting uit diezelfde concertzalen verlangt, gezien voorts de hierboven aangehaalde, in de pers gepubliceerde verklaring van de Vereenigde Eereraden der Kunstenaarsberoepen, waarbij in het voetspoor van ’s heeren van Lier pamfletten zonder eenig verder onderzoek een openbare veroordeeling wordt uitgesproken met betrekking tot de volgende handelingen:
(a) het voldaan hebben aan de zoogenaamde aanmeldingsverplichting voor de Nederlandsche Kultuurkamer;
(b) het voldaan hebben aan de voor het lidmaatschap vereischte formaliteiten;
(c) het in het openbaar zijn opgetreden als kunstenaar of zich anderszins als kunstenaar in het openbaar hebben doen gelden,
zou men aannemen, dat de door het Militair Gezag tot leden van den Eereraad benoemde musici, die bovendien als zoodanig aan de totstandkoming van die verklaring hebben medegewerkt, zijn gerecruteerd uit hen die, onbuigzaam en fier en voor geen dwang wijkende, door weigering van optreden in het openbaar vanaf den beginne de banier van het verzet tegen Nazidom en cultuurdwang hebben uitgedragen.
Beziet men de werkelijkheid, dan blijkt deze veronderstelling slechts een illusie te zijn.
Ten tijde van de behandeling van de zaak Dr. Rudolf Mengelberg bestond de Eereraad voor de Muziek uit vijf leden, t.w. Prof. Mr. H.R. Hoetink, hoogleeraar in het Romeinsche Recht aan de Universiteit te Amsterdam, Voorzitter, en Prof. Mr. J.C. van Oven, hoogleeraar in het Romeinsche Recht aan de Leidsche Universiteit, Dr. E. Reeser, muziekrecensent, H. van den Bosch, altist, eveneens wonende te Amsterdam, en Jos. Vranken Jr., dirigent, wonende te ’s-Gravenhage.
Van de drie laatstgenoemden, de musici-leden van den Eereraad, valt op den heer Reeser niets te zeggen.
Des te meer aandacht dient te worden besteed aan de heeren van den Bosch en Vranken. De heer H. van den Bosch heeft tot April 1944 als alt-violist deel uitgemaakt van het Concertgebouw-Orkest en heeft als zoodanig aan alle, tot dat tijdstip door het orkest tijdens de bezetting gegeven concerten medegewerkt, waaronder de in 1942 plaatsgevonden concertreis naar Weenen. In het najaar van 1943 heeft hij zijn ontslag bij het Concertgebouw gevraagd, niet om principieele, maar om gezondheidsredenen, met de nadere motiveering, dat hij er de voorkeur aan gaf zich in de toekomst aan het Kamermuziekspel te wijden; dit ontslag is op 20 April 1944 ingegaan.
De heer Jos. Vranken Jr., de dirigent o.a. van het koor “Die Haghe Sanghers”, heeft in 1941 als artistiek leider en dirigent van een tijdens de bezetting opgericht operagezelschap verschillende opera’s, o.m. “Tannhäuser” en “Lohengrin”, gedirigeerd. In dezen tijd heeft hij aan verschillende zijner medewerkers mededeeling gedaan omtrent door hem gekoesterde plannen om met dit operagezelschap een tournée door de Duitsche grenssteden te maken, teneinde op deze wijze van de Duitsche overheid een geldelijke ondersteuning voor zijn operagezelschap te verkrijgen. Eindelijk, en dit vormt een niet-onaardige illustratie van zijn karakter en persoonlijkheid, heeft hij met zijn meergenoemd koor “Die Haghe Sanghers”, in 1936, d.w.z. op een tijdstip, dat reeds tien- zoo niet honderdduizenden slachtoffers van het Nazi-regiem in concentratiekampen en gevangenissen zuchtten, een reeks van concerten in Duitschland gegeven, waarvan één ten bate van de Duitsche Nazi-instelling “Winterhilfe”, en daarbij een door hem gecomponeerde groet genaamd “Sieg Heil Westfalen” ten gehoore gebracht. Voor deze verdienstelijke actie ontving hij een krans, waaraan een lint met hakenkruis was vastgemaakt; dit lint heeft nog geruimen tijd zijn werkkamer getooid; slechts bij gelegenheid van bezoeken, hem gebracht door leden van het destijds eveneens door hem gedirigeerde Joodsche Koor “Harpe Davids” placht het tijdelijk te verdwijnen!
Het is inderdaad verbijsterend dat de heeren van den Bosch en Vranken, die wegens hunne gedragingen op dezelfde wijze, en wat den heer Vranken betreft in sterkere mate, de openbare afkeuring verdienen, welke in de meer genoemde verklaring der Vereenigde Eereraden der Kunstenaarsberoepen wordt uitgesproken, zelf mede-auteurs van die verklaring zijn geweest,  en dus die verklaring met hun verantwoordelijkheid hebben gedekt.
Maar veel erger wordt het, wanneer deze lieden geroepen worden om te oordeelen over het gedrag van hunne collega’s musici gedurende de bezetting. Volgens een oud spreekwoord worden dieven wel gebruikt om andere dieven te vangen, maar van berechten gewaagt dit spreekwoord niet. Teekenend voor de thans heerschende geestelijke verwarring is het volgende. Aan Professor Donkersloot, wien de bovengerelateerde personalia van de heeren van den Boschs en Vranken kennelijk niet waren medegedeeld, zijn tusschen de behandeling en de publicatie van de uitspraak in de zaak van het Concertgebouw, waarvan de zaak Dr. Rudolf Mengelberg een onderdeel vormde, bedoelde personalia ter kennis gebracht. Door hem is daarop geantwoord dat zulks geen gevaar opleverde, daar leden van den Eereraad, die zelf boter op hun hoofd hebben, ongetwijfeld over anderen milder zouden oordeelen. Niet alleen dat dit antwoord blijk geeft van een te dezer zake bestaand volslagen gebrek aan psychologisch inzicht –, juist zij, die zich wat te verwijten hebben, zijn, om naar buiten hun goeden wil en gezindheid te toonen, gewoonlijk in hun beoordeeling van derden veel harder en meedoogenloozer – het antwoord wordt tevens aanstonds gelogenstraft door de feiten, daar, gelijk reeds is opgemerkt, de heeren van den Bosch en Vranken zich niet ontzien hebben aan de verklaring van de Vereenigde Eereraden mede te werken.
Daarbij komt, dat van de twee eerstgenoemde leden van den Eereraad voor de Muziek Professor van Oven, die in Leiden woont, uit den aard der zaak met het Amsterdamsche muziekleven minder op de hoogte is. Professor Hoetink, die volgens eigen zeggen geheel buiten het muzikale leven staat, verkeerde aanvankelijk in de meening samen met prominente, voor het muziekleven bij uitstek representatieve figuren in den Eereraad zitting te hebben genomen. Na de behandeling van de zaak van het Concertgebouw met den waren stand van zaken op de hoogte gebracht, heeft hij dan ook daaruit de eenige juiste conclusie getrokken door als Algemeen Voorzitter en als lid van dezen Eereraad af te treden. [4]
De onbekendheid van Professor Hoetink met de muziek en het muziekleven, zoowel in het algemeen als in de bijzonderheden, en de onbekendheid van Professor van Oven met de vele bijzonderheden en de gecompliceerde structuur van het Amsterdamsche muziekleven, waren oorzaak – mede gezien de wijze van behandeling van de zaken van den Eereraad (welke laatste hieronder nader zal worden besproken) – dat  deze heeren zich ten aanzien van den achtergrond en de verdere omstandigheden der voor den Eereraad gebrachte zaken hebben moeten laten voorlichten door anderen, die door hen als terzake kundig mochten worden beschouwd, maar in werkelijkheid geenszins vrij en onbevooroordeeld waren. Tot welke averechtsche consequenties dit kan leiden, zal voor een ieder zonder meer duidelijk zijn.
“Openmindedness”, onpartijdigheid en afwezigheid van ieder vooroordeel zijn de eerste voorwaarden voor de juist uitoefening van het rechtersambt. Hoe weinig de heer van den Bosch aan die voorwaarden heeft beantwoord, blijkt o.a. uit het feit dat medio Mei 1945, d.w.z. 6 a 7 weken vóórdat de zaak Dr. Rudolf Mengelberg voor den Eereraad behandeld werd, de heer van den Bosch met zichtbare voldoening aan een derde heeft gezegd: “Het gaat veel beter dan wij hadden durven verwachten! Van Beinum en Rudolf Mengelberg zijn al geschorst!” Desniettegenstaande heeft dezelfde heer van den Bosch eenige weken later zonder aarzeling den triesten moed aan den dag gelegd om als zgn. “onpartijdig” rechter over de gedragingen van den heer Mengelberg te oordeelen.
Gezien de tallooze vertakkingen van belangen en belangetjes, welke in het muziekleven bestaan, en gezien de sterk gekleurde persoonlijke anti- en sympathieën, die al dan niet bevredigde ambitie’s, de persoonlijke rancunes, al hetwelk aan ieder kunstenaarsmilieu eigen is, ware voor een juiste en onpartijdige berechting gewenscht, zoo niet noodzakelijk geweest, de leden van den Eereraad uit andere kringen dan die van musici te recruteeren. Het bezwaar dat de Eereraad zelf alsdan persoonlijk inzicht omtrent het muziekleven zou missen, is geenszins overwegend, daar deze lacune door een behoorlijke wederzijdsche voorlichting, t.w. van de zijde van den aanklager en van die van de verdediging, kan worden gevuld. Ook de beroepsrechters moeten, na voorlichting door partijen, veelal rechtspreken over zaken, met betrekking waartoe hun iedere technische of andere gespecialiseerde kennis tevoren vreemd was, zonder dat dit ooit aan de qualiteit of het peil van de beroepsrechtspraak schade heeft toegebracht. Doch hoe dit ook zij, in ieder geval kan aan den Eereraad voor de Muziek niet het preadicaat van een onpartijdig en onbevooroordeeld college worden toegekend. Reeds op dien grond moet aan zijn uitspraken ieder gezag worden ontzegd.

De wijze van behandeling van de zaak Dr. Rudolf Mengelberg voor den Eereraad
Een behoorlijke rechtspleging eischt dat een ieder, van wien in rechte iets gevorderd wordt of die wegens verdenking van een strafbaar feit vervolgd wordt, in de gelegenheid worde gesteld zijn verdediging voor te bereiden. Zoo wordt zelfs aan den kleinen wanbetaler, die tot betaling van slechts luttele guldens voor den Kantonrechter wordt gedagvaard, eenige dagen vóór de terechtzitting een dagvaarding of request toegezonden, bevattende de feiten, waarop de tegen hem gerichte vordering tot betaling berust.
Hetzelfde geschiedt, wanneer men zelfs wegens een gering vergrijp, b.v. het berijden van een fiets, welke niet van een bel voorzien is, voor den Kantonrechter moet terechtstaan, terwijl in dat geval nog voor den verdachte ter inzage ligt het proces-verbaal van de politie, vermeldende de voornaamste omstandigheden, waaronder het feit plaats vond.
Wordt een misdrijf ten laste gelegd, zooals b.v. een diefstal, en bestaat ten aanzien van het feit of eenige daarmede verband houdende, voor de beoordeeling daarvan van belang zijnde omstandigheden ook maar eenige twijfel, dan wordt na een voorafgaand, gewoonlijk vrij uitgebreid politioneel onderzoek, de zaak nog eens door den Rechter van Instructie uitgeplozen, alvorens de behandeling ter terechtzitting plaats vindt. Zoowel voor den Rechter van Instructie als ter terechtzitting kan de verdachte zich door een advocaat doen bijstaan.
Nadat de behandeling ter openbare zitting is beëindigd, trekt de Rechtbank zich in raadkamer terug, alwaar buiten tegenwoordigheid van partijen, d.w.z. van het Openbaar Ministerie en van den verdachte en diens raadsman, de Rechtbank hare gemotiveerde beslissing neemt, daarbij uitsluitend lettende op hetgeen ter terechtzitting is gebleken.
Alle beschaafde West-Europeesche strafwetgevingen bieden op dit punt hetzelfde of nagenoeg hetzelfde beeld; steeds heeft de wetgever angstvallig ervoor gewaakt, dat b.v. door een niet voldoende of niet tijdige kennisneming van het feitenmateriaal en door, zij het ook de geringste afhankelijkheid van het rechtsprekend college, de verdachte in zijn verdediging zou worden geschaad, resp. de rechter niet in volledige vrijheid en onafhankelijkheid zijn beslissing zou nemen.
Thans de wijze van de behandeling van de zaak Dr. Rudolf Mengelberg.
Deze wordt opgeroepen om op Dinsdagnamiddag 26 Juni 1945 te verschijnen voor den Eereraad. Behalve dat, zooals reeds is opgemerkt, de normen, volgens welke de Eereraad zal beslissen, niet zijn gepubliceerd, ontvangt de beschuldigde geen enkele mededeeling omtrent de hem ten laste gelegde feiten. Hij komt dus ter zitting, zonder te weten, op welke punten hij zich moet verantwoorden en is mitsdien gedwongen zijn verdediging te improviseeren.
Ter zitting is, behalve de leden van den Eereraad, Professor Donkersloot aanwezig, die het ambt van openbaren aanklager waarneemt.
Ook op de zitting zelf worden aan Dr. Mengelberg geen bepaalde feiten verweten. De behandeling blijft beperkt tot het vragen van eenige inlichtingen omtrent gebeurtenissen, vermeld in een tevoren door het Bestuur der N.V. Het Concertgebouw aan Professor Donkersloot gerichte nota. Nadat door Dr. Mengelberg op die vragen is geantwoord, houdt Professor Donkersloot een soort requisitoir, hierop neerkomende, dat Dr. Mengelberg een meer principieele houding had moeten aannemen, d.w.z. zijn post op een gegeven oogenblik had moeten verlaten.
Daarmede was de zitting beëindigd.
Vervolgens trekt de Eereraad zich in raadkamer terug, teneinde over de te geven beslissing te beraadslagen. Evenwel geschiedde dit in voortdurende aanwezigheid van Professor Donkersloot. M.a.w.: de in den boezem van den Eereraad gevoerde besprekingen zijn voortdurend bijgewoond door den openbaren aanklager, buiten tegenwoordigheid van den beschuldigde, waardoor de mogelijkheid van een zeer ongewenschte intimidatie van den Eereraad ontstond.
Wèl mag men vragen, wat hier van de onafhankelijkheid van het rechtsprekend college is overgebleven.
Wèl mag men zeggen dat hier met de belangen van den beschuldigde wordt gesold en dat de zuiveringsactie in een onzuivere farce verloopt.
Die farce is evenwel daarmede nog niet ten einde. Tengevolge van een indiscretie bij Militair Gezag of bij den Eereraad doet Vrijdag 29 Juni in Amsterdam het praatje de ronde, dat Dr. Mengelberg voor den tijd van één jaar door den Eereraad geschorst is. Dit praatje verschijnt met dikke letters als ANEP-ANP bericht in de meeste Nederlandsche dagbladen van 2 Juli, wordt vervolgens met een smalend commentaar uitgezonden door den Nederlandschen Omroep en ook door de B.B.C. en vindt tenslotte zijn weg in de buitenlandsche pers, met name de Belgische en Zwitsersche couranten.
Op 5 Juli verschijnt de officieele uitspraak van den Eereraad in de krant, in welke uitspraak met geen woord over schorsing wordt gerept. Zij, die verwachtten, dat tenminste het Militair Gezag het eerste onjuiste couranten- en radiobericht zoude dementeeren, zagen zich in hunne verwachting bedrogen; het Militair Gezag vindt het blijkbaar niet noodig om, nu eenmaal over Dr. Mengelberg een uitspraak is gevallen, een onjuist, door zijn schuld of door die van den Eereraad gepubliceerde, voor den betreffende persoon uiterst kwetsende mededeeling in het openbaar te rectificeeren.
Fair play!

De uitspraak van den Eereraad in verband met het door Dr. Mengelberg gevoerde beleid
Voor een juiste beoordeling van het door Dr. Mengelberg gevoerd beleid, is het wenschelijk voorop te stellen dat het beheer der N.V. Het Concertgebouw is opgedragen aan een Raad van Bestuur, sedert kort wederom onder voorzitterschap van den heer Dr. H.P. Heineken. Van dezen Raad van Bestuur maakt Dr. Mengelberg geen deel uit, al voert hij den persoonlijken titel van directeur en al heeft hij het recht voor de vennootschap te teekenen.
De band tusschen de N.V. Het Concertgebouw en Dr. Mengelberg – een verren bloedverwant van den gelijknamigen dirigent – is heden ten dage 28 jaren oud. In 1917 aangesteld met de opdracht de artistieke zijde van de programma’s te verzorgen, werd hij in 1925 met de volledige artistieke leiding belast, met den titel van onderdirecteur, totdat hem in 1935 de algemeene leiding zoowel op artistiek als op administratief gebied werd opgedragen.
Het ligt niet in de bedoeling om in deze bladzijden den kunstenaar (componist) Mengelberg te schilderen, noch ook om uit te weiden over zijn composities. Vooral zijn religieuze muziek met haar warme en devote schoonheid en hare muzikale beschaving zijn den getrouwen concertbezoekers genoegzaam bekend. Het gaat hier uitsluitend om het door hem als directeur der instelling gevoerd beleid.
In het Concertgebouw is het steeds de gewoonte geweest dat de Directeur, hoezeer ook de vrije hand hebbende terzake van de dagelijksche leiding, alle questies, die een principieel karakter dragen, voorlegt aan den Raad van Bestuur, welke dienaangaande beslist. Voor deze beslissingen draagt het Bestuur derhalve de volledige aansprakelijkheid. Dit gold uiteraard ook gedurende de bezetting.
Eenigen tijd vóórdat het verhoor van Dr. Mengelberg door den Eereraad plaats vond, heeft de Raad van Bestuur aan Professor Donkersloot een nota gezonden inzake de werkzaamheden van den heer Mengelberg gedurende den oorlog.
In die nota wordt uitgegaan van de verhoudingen in het Concertgebouw, zooals die hierboven zijn omschreven. Daarin wordt o.m. zijn streven om gedurende den oorlog het karakter van het Concertgebouw als particuliere en onafhankelijke instelling te handhaven en daarom te trachten de artistieke prestaties van het orkest zoo lang mogelijk te doen voortdurend, gevoerd werd in opdracht van den Raad van Bestuur en dat deze in eersten aanleg daarvoor verantwoordelijk is. Voorts wordt in de nota erop gewezen, dat in de uiterst lastige positie, waarin Dr. Mengelberg verkeerde, waarin hij dagelijks tegen opdringings- en inmengingspogingen van Duitsche en N.S.B.-zijde zich te weer moest stellen, hij dit moeilijke werk met de grootste zorg, en gegeven de omstandigheden, met het grootst denkbare succes heeft verricht.
In het bijzonder verdient opmerking dat de twee onderteekenaars der nota, de heeren Dr. H.P. Heineken en Mr. N. Kappeyne van de Coppello, voorzitter en secretaris van den Raad van Bestuur, die tijdens de bezetting op verschillende tijdstippen als gevolg van Duitsch streven uit het Bestuur werden geëlimineerd, in die nota met nadruk verklaren, het met de door Dr. Mengelberg gevoerde politiek in allen deele eens te zijn geweest.
De logische conclusie hiervan ware, dat Militair Gezag en de Eereraad, wier leden vóór de behandeling van de zaak Mengelberg eveneens van de nota kennis hebben genomen, niet den heer Mengelberg, doch den Raad van Bestuur ter verantwoording zouden hebben geroepen.
Dit is echter niet geschied; integendeel, een der eerste daden van Prof. Donkersloot, in zijn hoedanigheid van chef der Sectie XIV M.G., is geweest aan den Raad van Bestuur mede te deelen dat tegen ongewijzigde handhaving van dit orgaan geen bezwaren bestonden.
Hoewel dus het verantwoordelijke orgaan zonder een enkele opmerking gehandhaafd bleef, viel de volle zwaarte van de afkeuring van den Eereraad op hem, die als uitvoerder van de besluiten van dat orgaan heeft gehandeld.
Voorwaar! de rechtsgrond van de uitspraak van den Eereraad is ver te zoeken.
Iets van dit alles moet den steller van die uitspraak voor den geest hebben gezweefd, toen hij daarin de woorden “in samenwerking met het Bestuur” invoegde. Daargelaten nog dat de gekozen uitdrukking eerder had moeten luiden: “in opdracht van het Bestuur”, blijven die woorden zóózeer in den tekst verscholen, dat slechts een ingewijde hun eigenlijke strekking kan begrijpen.
Wij willen thans ook dit punt, nl. der verantwoordelijkheid, buiten beschouwing laten en de uitspraak van den Eereraad toetsen aan de objectieve feiten, ons derhalve op het standpunt plaatsende dat Dr. Mengelberg de persoonlijke en uitsluitende verantwoordelijkheid voor zijn beleid als directeur van het Concertgebouw zou hebben gedragen.
Het is daarbij ten zeerste te betreuren, dat de uitspraak in geen enkel opzicht met feiten wordt gemotiveerd.
Welke geïncrimineerde gedragingen hebben geleid tot het judicium dat Dr. Mengelberg “in zijn houding zóó weinig verzet heeft geboden tegen ongerechtvaardigde eischen en tegen aanslagen op de hem toevertrouwde belangen, dat zijn beleid verre is gebleven onder dat, wat men van iemand in zijn leidende positie had mogen verwachten”, kan men slechts afleiden uit de punten, welke in de zitting van den Eereraad zijn behandeld, tenzij tijdens de beraadslagingen na de zitting nog andere, aan Dr. Mengelberg niet medegedeelde feiten ter sprake zouden zijn gekomen, welke op de uitspraak invloed hebben uitgeoefend.
Evenwel – en dat blijkt overduidelijk uit de verklaring van de Vereenigde Eereraden van 30 Juni – uitgangspunt voor den Eereraad is het feit, dat tijdens de bezettingsjaren het Concertgebouw is doorgegaan met het geven van concerten, hetgeen, aldus de meergenoemde verklaring, op zich zelf reeds afkeuring verdient.
Hier raken wij de cardo quaestionis, het essentieele punt.
Doorspelen of niet-doorspelen, voor het Concertgebouworkest als orkest “to be or not to be” in den meest letterlijke zin, was het uiterst netelige probleem, waarvoor Raad van Bestuur en Directeur zich niet ééns, maar telkens weer gedurende de bezetting geplaatst zagen, en bij welks oplossing kwade trouw en dus onvaderlandsche gezindheid en eigenbelang geen enkele rol hebben gespeeld, zooals in de uitspraak van den Eereraad uitdrukkelijk wordt overwogen.
Besloot men de concerten stop te zetten, dan zou dit tengevolge hebben gehad:

(a) dat het orkest ware ontbonden (de mogelijkheid van een verder spelen van het orkest als staatsorkest onder overheids-, d.w.z. Duitsche en N.S.B.-leiding met een noodzakelijkerwijze daaruit voortvloeiende nazificeering van samenstelling en geest kan hier buiten beschouwing blijven);

(b) de vermoedelijk definitieve vernietiging van het Concertgebouw als muzikale instelling, welke sedert meer dan 50 jaren, als één der grootste levende cultuurmonumenten ver buiten onze grenzen bekend en bewonderd, Nederlands beschaving tot roem en eer heeft gestrekt;

(c) de aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van deportatie van alle Joodsche orkestleden naar Polen;

(d) de zekerheid dat alle tot werken in staat zijnde leden van het orkest onverwijld in Duitschland te werk zouden zijn gesteld;

(e) het ontnemen van de mogelijkheid aan het toch reeds zoo zwaar gedrukte en verdrukte publiek om nu en dan door het ondergaan van zuivere, door politieke propaganda onaangetaste schoonheid de loodzware zorgen en smart te vergeten.

Raad van Bestuur en Directeur hebben deze consequenties niet aangedurfd. Overtuigd te handelen in het belang zoowel van het Nederlandse kunstleven en van de Nederlandsche beschaving, als van het publiek en eindelijk, maar niet in de laatste plaats, in het belang der individueele leden van het orkest, hebben zij bewust een anderen weg gekozen.
Deze keuze, waaraan voor de betrokkenen ieder eigen belang vreemd was, en die geïnspireerd werd door de evengenoemde ideëele motieven, is moreel onaantastbaar en zij, die deze keuze gedaan hebben, gaan daarom ook van een moreel en patriotisch standpunt bezien vrij uit. De zooeven genoemde belangen, waarvoor zij geijverd hebben, maken evenzeer deel uit van het totaal van nationale waarden en krachten, en dus van de “Nederlandsche zaak”, als b.v. de oorlogsvoering.
Men kan achteraf debatteeren over de vraag of het andere standpunt tot betere resultaten zou hebben geleid. Vooralsnog is dat onbewezen. In ieder geval getuigt het van een ongehoorde zelfoverschatting om de meening van een kleine minderheid, hoe hoog men hare principieele houding ook moge waardeeren, thans als evangelie-waarheid te proclameeren en een ieder, die in strijd met die “waarheid” heeft gehandeld, als verblinden zwakkeling onvaderlandslievenden ketter of erger te qualificeeren en te veroordeelen.
Daarbij vergete men niet dat het voor de geheele leiding en zeer zeker ook voor Dr. Rudolf Mengelberg oneindig gemakkelijker en aangenamer ware geweest, het bijltje erbij neer te gooien en rustig het einde van den oorlog af te wachten, aldus het Concertgebouw overleverende aan den willekeur en propagandawoede der Nazi-machthebbers, welke zeker niet zouden zijn uitgebleven.
Terwijl de musici-rechters in den Eereraad gedurende de bezetting geen enkele verantwoordelijkheid door derden hebben gedragen, was voor Dr. Mengelberg de weg, dien hij in heilige overtuiging en plichtsbesef koos, een weg van bijna dagelijkschen strijd, die hoofdzakelijk door hem moest worden gestreden, een strijd tegen de Duitschers, tegen de N.S.B., tegen de N.S.B.-elementen in het orkest en dergelijke. Die strijd was des te moeilijker en gevaarlijker, omdat vanaf het eerste begin zijn principieel anti-nationaal-socialistisch standpunt aan de Duitschers bekend was, terwijl zijn voortdurend in de bres springen voor de belangen van Joodsche landgenooten (orkestleden en anderen) hem den in Duitsche ooren zoo gehaten naam van “Judenfreund” bezorgde. Nadat herhaaldelijk van Duitsche zijde en door den “Kultuurraad” het aftreden van Dr. Mengelberg was geëischt, is zijn naam tot tweemaal toe op grijzelaarslijsten geplaatst. Zóó werd de zgn. “deutschfreundliche” Dr. Mengelberg door de Nazimachthebbers beoordeeld
De heer Mengelberg is voor een en ander niet gezwicht, maar heeft het steile en dikwijls gevaarlijke pad van verder werken verkozen boven de ongetwijfeld veel minder gevaarlijke existentie van nietsdoen.
Voor die keuze moet deze man geroemd worden in plaats van veroordeeld. Het is een buitenstaander niet mogelijk te waardeeren, welke zenuwspanningen en welke energie zijn ten koste gelegd aan den strijd tegen de bijna dagelijksche aanvallen van Duitschers en hun N.S.B.-handlangers en hun onafgebroken pogingen om in het Concertgebouw vasten voet te krijgen. Het is voornamelijk aan Dr. Mengelberg te danken, dat die aanvallen afgeslagen en die pogingen mislukt zijn en dat het Concertgebouw tenslotte vrij kon worden gehouden van Nazi-smetten en Nazi-propaganda, al heeft men hier en daar concessies moeten doen.
Inderdaad, men heeft eenige concessies moeten doen. Men was verplicht toe te geven aan den eisch dat de namen van Mendelssohn en Mahler, prijkende in de Groote Zaal onder de balustrade, werden overgeschilderd…, maar de geheele rechterlijke macht heeft, zij het met verbeten lippen, moeten toezien, hoe Harer Majesteit portret uit alle rechtszalen is verwijderd.
Men heeft de Joodsche orkestleden moeten ontslaan…, maar dit lot trof alle bedrijven, zonder dat iemand aan de leiders daarvan den eisch tot gelijktijdig aftreden heeft gesteld.
Men heeft moeten toegeven aan den eisch, dat het orkest zijn medewerking verleende aan een klein aantal door derden georganiseerde concerten, min of meer Duitsch getint, zooals die, gegeven bij de Rembrandtherdenking, de Gerh. Hauptmannherdenking, het Nederrijnsche Muziekfeest in Arnhem en de concerten in Weenen.
De Raad van Bestuur, die evenals in alle andere principieele aangelegenheden ook hier, na overleg met Dr. Mengelberg, de beslissing heeft moeten nemen en genomen heeft, meende op twee overwegingen voor den, op het Concertgebouw uitgeoefenden dwang te moeten zwichten, hoe bitter dit zwichten ook destijds was. In de eerste plaats heeft men bewust een minder goed opgeofferd om een grootere waarde te beschermen, nl. om te voorkomen dat het Concertgebouw onder een Duitschen “Verwalter” of een creatuur van het N.S.B.-Departement zou worden geplaatst en daardoor als instrument voor Nazi-cultuur-propaganda zou worden ingeschakeld of als alternatief een sluiting van de instelling, met als resultaat de ontbinding en vernietiging van het orkest, en de daaraan voor de individueele orkestleden verbonden funeste gevolgen. In de tweede plaats, omdat de medewerking voor het orkest aan bedoelde concerten, hoe bitter ook voor leiding en orkest, in geen enkel opzicht het vijandelijke oorlogspotentieel versterkt, noch ook de Geallieerde oorlogsvoering verzwakt heeft. [5]
Zoodra evenwel de verlangde medewerking in de praktijk zou neerkomen op een, zij het ook indirecte, hulpverleening aan den vijand, zooals b.v. bij het geeischte concert ten bate van “Frontzorg”, hebben en Raad van Bestuur en Directeur met een onverzettelijk “neen” geantwoord, met volledige bereidheid tot aanvaarding van alle consequenties, die daaruit konden voortvloeien en die ook niet zijn uitgebleven, gezien het feit, dat de Secretaris van het Bestuur, Mr. N. Kappeyne van de Coppello, gedurende eenige maanden in een concentratiekamp is opgesloten.
Men scherme hier niet met begrippen als “aantasting van het binnenlandsch geestelijk verzet” en dergelijke, hetgeen in sommige kringen schijnt te gebeuren. In dit verband is dit begrip niet meer dan een holle phrase. Ook heden zal niemand in gemoede kunnen aannemen dat door de medewerking onder dwang door het Concertgebouw-Orkest bij enkele concerten de verzetsgeest bij ons volk, waarvan na September 1940 meer dan 90% met stelligheid aan een Geallieerde overwinning heeft geloofd en is blijven gelooven, ook maar in eenig opzicht is verzwakt of dat wankelmoedigen tot pro-Duitsheid zijn bekeerd.
De positieve resultaten van het gevoerde beleid, welke tegenover deze concessies staan, zijn waarlijk niet gering te noemen. Enkele daarvan zullen hier worden opgesomd:
1e Het orkest is als volwaardig instrument voor het Nederlandsche cultuurleven bewaard gebleven.
2e Door het gevoerde beleid is verhinderd dat, zooals door Seyss-Inquart na overleg met de Gemeente Amsterdam was besloten, het orkest zou worden gebruikt als opera-orkest voor de afd. Opera van het Gemeentelijk Theaterbedrijf te Amsterdam, hetgeen den ondergang van het orkest als symphonie-orkest zou hebben betekend.
Dit is het persoonlijke werk van Dr. Mengelberg geweest.
3e Alleen doordat het Concertgebouw is blijven doorwerken, is bereikt dat deportatie van alle Joodsche orkestleden naar Polen met een zekeren dood voor de betrokkenen is voorkomen kunnen worden, en dat deze leden met hunne gezinnen, met uitzondering van 3 personen, via Barneveld naar Theresienstadt zijn gebracht, vanwaar allen na de bevrijding naar Nederland zijn teruggekeerd.
4e “Last not least”, en dit is wederom de onschatbare, persoonlijke verdienste van Dr. Mengelberg geweest, is het gelukt alle niet-Joodsche orkestleden voor tewerkstelling in Duitsland te vrijwaren, en daarmede aan den vijand voor zijn oorlogsproductie en dus voor de totale oorlogvoering de werkkracht van tientallen te onthouden.
Legt men deze resultaten in de weegschaal van een onpartijdige beoordeeling tegenover de afgedwongen concessies, dan is het niet twijfelachtig, naar welke zijde de schaal zal doorslaan.
Dat de Eereraad, die met alle feiten bekend was, niettemin heeft kunnen en durven uitspreken dat “de objectieve resultaten ervan (sc. Van de door Dr. Mengelberg gevoerd beleid) zóó nadeelig voor de Nederlandsche zaak dienen te worden geacht, dat hij (sc. Dr. Mengelberg) naar het oordeel van den Raad op deze plaats niet de rechte man is,” getuigt van een volslagen blindheid tegenover de realiteit der dingen.
De uitspraak van den Eereraad over Dr. Mengelberg, die vanaf 1917 in verschillende functies het Concertgebouw en het nationale muziekleven en dus de “Nederlandsche zaak” met de grootste toewijding en met inzet van alle zijne gaven en krachten heeft gediend, onder wiens leiding deze beide ongekende hoogten van glans en bloei hebben bereikt en die gedurende de 5 oorlogsjaren op een voor een niet-ambtenaar uiterst geëxponeerde plaats de hem toevertrouwde Nederlandsche belangen naar beste weten, ten koste van eigen zenuwen en gezondheid, dag in dag uit heeft verdedigd –, die uitspraak is een schande voor het instituut der zuivering en een verkrachting van recht en rechtvaardigheid.

Slotwoord
Het is om twee redenen noodig om deze gebeurtenissen in breeden kring openbaar te maken.
Wij hebben aangetoond, waarom wegens zijn totstandkoming, zijn samenstelling en de wijze van behandeling van de hem toegevoegde zaken de waarborgen voor een rechtvaardige en een objectief juiste berechting door den Eereraad voor de Muziek ten eenen male ontbreken. Hiervan is het betreurenswaardig gevolg, niet alleen dat aan zijn uitspraken geen enkel gezag kan worden toegekend, maar, wat erger is, dat de alom gewenschte en zoo dringend noodzakelijke zuivering zelve in de oogen van de natie zal worden aangetast en aan autoriteit zal inboeten, tot nadeel van de geheele Nederlandsche volksgemeenschap.
Terwille van de groote, aan de zuivering verbonden nationale belangen, moet hierin zoo spoedig mogelijk verandering worden gebracht.

Daarnaast moet komen eerherstel voor Dr. Rudolf Mengelberg.
Het is een eisch van de meest elementaire rechtvaardigheid, dat deze man, die door de huidige overheid als zwakkeling en willooze speelbal der Nazi’s aan de openbare schandpaal is gespijkerd, zoo spoedig mogelijk worde gezuiverd van de geheel onverdiend op hem geworpen smet en blaam.
Het Nederlandsche volk is een rechtvaardig en eerlijk volk.
Mocht onverhoopt dit eerherstel van overheidswege uitblijven, dan zal – dat is onze vaste overtuiging – zulks geschieden in de geesten van tallooze individueele Nederlanders, die, gelukkig, nog steeds recht van onrecht kunnen onderscheiden.

Mr. J.T. ASSER
Dr. K.PH. BERNET KEMPERS
Mr. M. VAN DOORNINCK
HERMAN VAN DEN EERENBEEMT

AMSTERDAM
Juli 1945

[1] Aldus de Toelichting van den Staf Militair Gezag op het Zuiveringsbesluit (S.E. No. 14).

[2] Mevrouw Bordewijk-Roepman heeft al sedert geruimen tijd aan de werkzaamheden van het driemanschap niet meer actief deel genomen.

[3] Het afschrift is niet gedateerd; blijkens een daarin voorkomende verwijzing naar een op 12 Augustus 1944 gehouden radiorede van den toenmaligen Minister van Justitie, moet het adres na dien datum en vermoedelijk voor de bevrijding van de Zuidelijke provincies opgesteld zijn.

[4] Naar wij vernomen hebben, heeft inmiddels eveneens de heer Reeser ontslag genomen als lid van den Eereraad; ook de heer van den Bosch heeft daarin niet meer zitting.

[5] Slechts volledigheidshalve zij hier opgemerkt dat de toestemmingen betr. de concerten voor “Vreugde en Arbeid” en voor het Nederrijnsche Muziekfeest zijn gegeven buiten den heer Rudolf Mengelberg om.

> terug naar bovenkant pagina > home